Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Havo 5 Thema 1 en 2 "Moeilijke vragen"

Total questions: 29

Worksheet time: 15mins

Name
Class
Date
1.

De stikstof in nitraationen wordt door de producenten onder andere gebruikt voor de productie van stoffen die als voedingsstof van groot belang zijn voor consumenten.

Welke stoffen zijn dit?

a)

Eiwitten

b)

Vetten

c)

Koolhydraten

d)

Mineralen

2.

Welke processen vinden plaats in de gistcellen van rijzend deeg?

a)

Alleen assimilatie

b)

Alleen dissimilatie

c)

Zowel assimilatie als dissimilatie

d)

Fotosynthese

3.

A8

Wat is de juiste reactievergelijking voor fotosynthese?

a)

Water en koolstofdioxide wordt onder invloed van zonlicht omgezet in glucose en zuurstof

b)

Water en zuurstof wordt onder invloed van zonlicht omgezet in glucose en koolstofdioxide

c)

Glucose en zuurstof wordt onder invloed van zonlicht omgezet in water en koolstofdioxide

d)

Koolstofdioxide en zuurstof wordt onder invloed van zonlicht omgezet in glucose en water

4.

A7

"Proces waarbij onder invloed van zonlicht uit kleine anorganische moleculen glucose wordt gemaakt"

Dit is proces is een voorbeeld van

a)

aerobe dissimilatie

b)

anaerobe dissimilatie

c)

koolstof assimilatie

d)

voortgezette assimilatie

5.

A7

Een brandende kaars dooft snel als er een glazen stolp overheen wordt geplaatst.

Bij een experiment wordt naast een (nog niet brandende) kaars een plant onder een stolp geplaatst. Het geheel wordt

24 uur in het licht geplaatst, waarna de kaars wordt aangestoken. Uit het experiment blijkt dat de kaars onder de stolp met de plant langer blijft branden dan zonder de plant.

Hieruit kunnen we afleiden dat tijdens de fotosynthese:

a)

zuurstof wordt geproduceerd

b)

koolstofdioxide wordt verbruikt

c)

glucose worden geproduceerd

d)

water wordt verbruikt

6.

A7

Hieronder staan voorbeelden van processen die plaatsvinden in cellen van planten:


1 vorming van glucose uit koolstofdioxide en water

2 opbouw van aminozuren uit glucose

3 vorming van melkzuur uit glucose

4 vorming van glycogeen uit glucose


Welk of bij welke van deze processen is een voorbeeld van voortgezette assimilatie?

a)

alleen proces 1

b)

alleen proces 4

c)

alleen proces 1 en 4

d)

alleen proces 2 en 4

7.

A6/A7

Brooddeeg zal rijzen door de aanwezigheid van gistcellen. Gistcellen behoren tot het rijk van de schimmels.

In die gistcellen vinden verschillende processen plaats.

Vinden in de gistcellen alleen assimilatieprocessen, alleen dissimilatieprocessen of beide typen processen plaats?

a)

alleen assimilatie

b)

alleen dissimilatie

c)

zowel assimilatie als dissimilatie

8.

A6

In spieren van de mens vinden onder andere de volgende stofwisselingsprocessen plaats:


1 opbouw van eiwitten uit aminozuren,

2 vorming van melkzuur uit glucose,

3 vorming van glycogeen uit glucose,

4 vorming van CO2 en H2O uit glucose en O2.


Bij welk of bij welke van deze processen komt energie vrij die kan worden gebruikt voor het samentrekken van de spieren?

a)

alleen bij proces 3

b)

alleen bij proces 4

c)

alleen bij proces 1 en 3

d)

alleen bij proces 2 en 4

9.

A6

Bij het maken van wijn is er sprake van alcoholgisting.

Wijn kun je maken in een fles of vat met een waterslot. Dit waterslot zorgt ervoor dat er gassen uit het vat kunnen ontsnappen, maar dat er geen lucht bij kan komen.

Waarom is het belangrijk dat bij het maken van wijn geen lucht bij het mengsel komt?

a)

Anders komt er zuurstof bij het mengsel en alcoholgisting is een vorm van aerobe dissimilatie dus zonder zuurstof.

b)

Anders komt er zuurstof bij het mengsel en alcoholgisting is een vorm van anaerobe dissimilatie dus zonder zuurstof.

c)

Anders komt er koolstofdioxide bij het mengsel en alcoholgisting is een vorm van aerobe dissimilatie dus zonder koolstofdioxide.

d)

Anders komt er koolstofdioxide bij het mengsel en alcoholgisting is een vorm van anaerobe dissimilatie dus zonder koolstofdioxide.

10.

Bepaalde plantensoorten hebben wortelknolletjes.

De wortelknolletjes worden gevormd onder invloed van heterotrofe bacteriën uit onder andere het geslacht Rhizobium, die in deze knolletjes in symbiose met de plant leven. De heterotrofe bacteriën betrekken hun energie uit glucose die de plant tijdens de fotosynthese assimileert.

De door de bacteriën geleverde stikstofverbindingen worden in de plant gebruikt voor assimilatie.

Welke van onderstaande stoffen bevatten als gevolg van assimilatie stikstof?

a)

aminozuren

b)

cellulose

c)

glucose

d)

vetzuren

11.

Door het eten van overrijpe appels, die al wat beginnen te bederven, kunnen dieren dronken worden.

Als gevolg van welke omzetting of welke omzettingen in de appels kunnen dieren die van de appels eten, dronken worden?

a)

als gevolg van dissimilatie zonder zuurstof

b)

als gevolg van dissimilatie met zuurstof

c)

zowel als gevolg van dissimilatie zonder zuurstof als dissimilatie met zuurstof

12.

Welk enzym heeft de hoogste activiteit in een zuur milieu? Noteer alleen de letter van het enzym.

(a)  

13.

Bij de VU spoort dr. Dorret Boomsma, samen met onderzoekers in Amerika en Australië, verbanden op tussen DNA en depressiviteit. Zij hoopt dat haar onderzoek kan leiden tot de ontwikkeling van een geneesmiddel tegen depressiviteit.

In het volgende citaat van dr. Boomsma is een woord weggelaten:

„Een gen codeert voor een (a)   en als je die stof hebt, heb je in principe een geneesmiddel".

Noteer het woord dat in bovenstaande zin moet worden ingevuld.

14.

Onder de inwoners van het afgelegen Italiaanse bergdorpje Limone aan het Gardameer bevindt zich een groep van 46 mensen met een variant van HDL die vet (en daarmee cholesterol) sneller afvoert naar de lever dan normale HDL. Onderzoek heeft uitgewezen dat bij een voorouder uit de 18e eeuw een verandering in een gen voor een HDL-eiwit moet zijn opgetreden. Het dorpje lag lange tijd zeer geïsoleerd. Tot 1932 was er geen weg naar andere dorpen.


Noteer de naam van zo'n verandering in een gen.

(a)  

15.

Ook onder invloed van andere factoren dan bepaalde ultraviolette stralen kan bij de mens kanker ontstaan. Over het ontstaan van kanker wordt een aantal beweringen gedaan:


1 Radioactieve straling kan leiden tot verandering in de volgorde van de bouwstenen van het DNA waardoor kanker kan ontstaan.

2 Bepaalde chemische stoffen kunnen mutaties in het DNA veroorzaken waardoor kanker kan ontstaan.

3 Een gezonde cel kan door contact met een kankercel zelf in een kankercel veranderen.


Welke van deze beweringen is of welke zijn juist?

a)

alleen 1

b)

alleen 2

c)

alleen 3

d)

1 en 2

e)

1 en 3

16.

Transgene organismen


Groeihormoon dat momenteel als geneesmiddel voor de mens wordt gebruikt, wordt op grote schaal gemaakt door bacteriën waaraan door genetische manipulatie menselijk DNA is toegevoegd. Dat geldt ook voor het hormoon insuline. Deze hormonen zijn zeer geschikt om via genetische manipulatie te worden geproduceerd, omdat ze beide tot een bepaalde groep stoffen behoren.


Tot welke van de volgende groepen stoffen behoren deze hormonen?

a)

eiwitten

b)

koolhydraten

c)

vetten

d)

mineralen

17.

In bron 1 zijn twee karyogrammen weergegeven. Deze karyogrammen zijn afkomstig van een eeneiige tweeling. Het ene kind is van het mannelijk geslacht zonder duidelijke uiterlijke afwijkingen. Bij het andere kind zijn wel uiterlijke afwijkingen geconstateerd.


Bij het ontstaan van deze tweeling is een stoornis opgetreden in een kerndeling. Vijf mogelijke stoornissen zijn:

1 een stoornis in de meiose 1 van de eicel

2 een stoornis in de meiose 1 van de zaadcel

3 een stoornis in de meiose 2 van de eicel

4 een stoornis in de meiose 2 van de zaadcel

5 een stoornis in de eerste mitose van de zygote


Welke van deze stoornissen kan geleid hebben tot het ontstaan van deze bijzondere tweeling?

a)

1

b)

2

c)

3

d)

4

e)

5

18.

Het is inmiddels gelukt om andere organismen dan de mens, zoals muizen en varkens, mensen-hemoglobine te laten produceren, dat gebruikt kan worden bij de fabricage van kunstbloed.


Wat hebben de onderzoekers bij deze organismen veranderd om dit te bereiken?

a)

het DNA

b)

bepaalde eiwitten

c)

hemoglobine

d)

de ribosomen

19.

Het erfelijk materiaal in virussen is heel verschillend. Dit virus komt voor in varianten met enkel- en met dubbelstrengs DNA.

Het erfelijk materiaal van een bepaald virus heeft de volgende samenstelling van stikstofbasen: cytosine = 19%, adenine = 25%, thymine = 33% en guanine = 23%.

Kan men op grond van deze gegevens bepalen wat voor erfelijk materiaal het is? Zo ja, welke vorm is het?

a)

ja, het is dubbelstrengs DNA

b)

ja, het is enkelstrengs DNA

c)

ja, het is RNA

d)

nee, dit is niet te bepalen

20.

Wat is de juiste volgorde, van GROOT naar klein

a)

cel - celkern - chromosoom - DNA molecuul - nucleotide - stikstofbase

b)

chromosoom - DNA molecuul - cel - celkern - stikstofbase -nucleotide

c)

cel - celkern - DNA molecuul - chromosoom - stikstofbase - nucleotide

d)

chromosoom - DNA molecuul - cel - celkern - nucleotide - stikstofbase

21.

Waar in de cel vindt transcriptie plaats?

1 woord invullen

(a)  

22.

Waar in de cel vindt translatie plaats?

1 woord invullen

(a)  

23.

Welk bewering over kanker en mutaties is juist?

a)

Kanker veroorzaakt mutaties zodat de regeling van de celdeling niet goed verloopt

b)

Er is geen verband tussen mutaties en kanker want kanker wordt veroorzaakt door carcinogene stoffen

c)

Door mutaties kan de regeling van de celdeling verstoort raken waardoor kanker ontstaan

24.

Een cel bevat bepaalde hoeveelheden van de volgende stoffen:

1) DNA,

2) RNA,

3) aminozuren,

4) koolhydraat.

Deze cel gaat op een gegeven ogenblik meer van een bepaald eiwit produceren.


Van welk van bovengenoemde stoffen neemt daarbij de hoeveelheid in de cel als eerste toe?

a)

DNA

b)

RNA

c)

Aminozuren

d)

Koolhydraten

25.

De nucleotide-sammenstelling (basenvolgorde) van een DNA streng is:

TAC CGA TTA ACA CTT ATT

De basenvolgorde in het bijbehorende RNA is dan:

a)

AUG GCU AAU UGU GAA UAA

b)

ATG GCT AAT TGT GAA TAA

c)

UTG GCT UUT TGT GUU TUU

d)

AUC CGU AAU UCU CAA UAA

26.

Hieronder staat een stuk RNA weergegeven:


AUG CGC CAU UAU AAG UGA


Geef de 1 letter code van de aminozuurvolgorde van het eiwit dat wordt gemaakt van dit stuk RNA.

(a)  

27.

De informatiestroom in een lichaamscel verloopt:

a)

van DNA via RNA naar eiwit

b)

van eiwit via RNA naar DNA

c)

van DNA via eiwit naar RNA

d)

van RNA via DNA naar eiwit

e)

van RNA via eiwit naar DNA

28.

Een stuk RNA bestaat uit 306 nucleotiden.

Wat is het maximaal aantal aminozuren waaruit het eiwit bestaat dat wordt gemaakt?

(a)  

29.

Een deel van een stuk RNA is:

AUG UGU GAA UAA

Op basis van deze basenvolgorde wordt een eiwit gevormd.

Wat gebeurt er met het eiwit als de laatste A door mutatie verandert in een C?

a)

het eiwit wordt korter

b)

het eiwit wordt langer

c)

het eiwit wordt niet gevormd

d)

het eiwit blijft hetzelfde