wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Lezen Trede 31 Jaar 4

Total questions: 30

Worksheet time: 50mins

Name
Class
Date
1.

Waar staat de bron meestal?

a)

Boven de tekst

b)

Onder de tekst

c)

Op de achterkant van de tekst

d)

Naast de tekst

2.

Wanneer begint een nieuwe alinea?

a)

Bij een volgende tekst

b)

Bij de volgende zin

c)

Als de schrijver hier zin in heeft

d)

Als er een nieuw deelonderwerp besproken wordt

3.

Uit welke onderdelen bestaat een tekst eigenlijk altijd?

a)

Titel, kopje, alinea

b)

Inleiding, middenstuk, slot

c)

Hoofdstuk, alinea, zin

d)

Inleiding, alinea, slot

4.

Welke manier van lezen gebruik je als je wilt bepalen of je een tekst kunt gebruiken?

a)

Oriënterend lezen

b)

Globaal lezen

c)

Intensief lezen

d)

Studerend lezen

5.

Een feit is datgene je van iets vindt.

a)

Juist

b)

Onjuist

6.

In een krant staan meer feiten dan meningen.

a)

Juist

b)

Onjuist

7.

Een (a)   herken je vaak aan een signaalwoord zoals: want, omdat, namelijk, immers.

8.

Wat is een hoofdgedachte?

a)

De belangrijkste zin in een tekst.

b)

Een heel korte samenvatting in één zin.

c)

Een kernzin

d)

Die staat bovenaan de tekst.

9.

In welke zin vind je de hoofdzaken?

a)

In de kernzin.

b)

In de titel

c)

In de bron

d)

In de eerste zin van een alinea

10.

Dit is de inleiding van een langere tekst. Wat is het onderwerp van de hele tekst, denk je?

4 lines
11.

Dit is de inleiding van een langere tekst. Wat is het onderwerp van de hele tekst, denk je?

4 lines
12.

Dit is de inleiding van een langere tekst. Wat is het onderwerp van de hele tekst, denk je?

4 lines
13.

In welk tekstgedeelte kunnen deze dingen voorkomen?

(a)  

14.

In het (a)   van een tekst worden de verschillende deelonderwerpen besproken.

15.

Een andere benaming van middenstuk is (a)  

16.

Hier zie je voorbeelden van wat er in het (a)   geschreven kan worden.

17.

Lees de tekst. Het is het slot van een van de teksten uit het begin. Welke?

a)

De tekst over Squid Game

b)

De tekst over Koeman

c)

De tekst over overvallen op telecomwinkels

18.

Wat is het onderwerp van deze tekst?

(a)  

19.

Hoe wordt de tekst ingeleid?

a)

Er wordt een belangrijke vraag gesteld.

b)

Er wordt een leuk, kort verhaaltje verteld.

c)

Er wordt iets verteld over de opbouw van de tekst.

20.

Welk verband staat in de laatste zin van alinea 2?

a)

opsomming

b)

oorzaak-gevolg

c)

tegenstelling

21.

Op welke drie manieren kun je drukblaren voorkomen?

4 lines
22.

Wat betekent hinderlijk (al. 3)?

(a)  

23.

Wat is het doel van de tekst?

a)

Instrueren

b)

Informeren

c)

Overtuigen

d)

Activeren

24.

Wat is de hoofdgedachte van de tekst?

a)

Drukblaren kunnen ontstaan door wrijving, hitte, kou en chemische middelen.

b)

Een blaar na het wandelen in nieuwe wandelschoenen is vervelend.

c)

Een drukblaar ontstaat door aanhoudende wrijving van de huid.

25.

Wat betekent ondervinden?

a)

bezorgen, opbrengen

b)

merken

c)

meedoen met

d)

noemen, opschrijven

e)

veranderen

26.

Wat betekent vermelden?

a)

bezorgen, opbrengen

b)

meedoen met

c)

merken

d)

noemen, opschrijven

e)

veranderen

27.

Welk woord past of welke woorden passen in de zin?

Als mijn ouders […], kan ik met je mee naar het feest in Amsterdam.

a)

beletten

b)

dienen te

c)

streven naar

d)

toestemmen

e)

vereenvoudigen

28.

Welk woord past of welke woorden passen in de zin?

Paleisbedienden […] gehoorzamen aan de koning.

a)

beletten

b)

dienen te

c)

streven naar

d)

toestemmen

e)

vereenvoudigen

29.

Welk woord past of welke woorden passen in de zin?

Bioscopen […] zoveel mogelijk bezoekers per filmavond.

a)

beletten

b)

dienen te

c)

streven naar

d)

toestemmen

e)

vereenvoudigen

30.

Hoe heet datgene waar een tekst vandaan komt?

a)

Bron

b)

Oorsprong

c)

Wikipedia

d)

Google