wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

De baby

Total questions: 14

Worksheet time: 8mins

Name
Class
Date
1.

Welk stadium is het?

a)

Kijkstadium

b)

Grijpstadium

c)

Loopstadium

d)

Kruipstadium

2.

Wie is de pionier in de theorie van de cognitieve ontwikkeling?

(a)  

3.

'Nieuwe ervaringen worden geïnterpreteerd op basis van bestaande schema’s = werkelijkheid aanpassen aan je denkwijze '

a)

Assimilatie

b)

Accommodatie

4.

Adaptie is volgens Piaget de benaming voor ...

a)

het proces waarbij mensen een ervaring interpreteren binnen hun huidige cognitieve ontwikkelingsstadium en denkwijze.

b)

het proces waarbij bestaande manieren van denken veranderen in reactie op nieuwe stimuli of gebeurtenissen.

c)

de manier waarop kinderen reageren op en zich aanpassen aan nieuwe informatie.

5.

Welke fase van Piaget ?

Kind handelt hoofdzakelijk op basis van zintuiglijke indrukken.

a)

Sensomotorisch

b)

Preoperationeel

c)

Concreet operationeel

d)

Formeel operationeel

6.

De theorie van Piaget hoort tot de...

a)

cognitieve ontwikkeling

b)

sociale ontwikkeling

c)

fysieke ontwikkeling

d)

persoonlijkheidsontwikkeling

7.

In de ...... fase volgt een baby objecten met zijn/ haar oogjes. Kies het juiste antwoord:

a)

Preoperationele

b)

Concreet-operationele

c)

Sensomotorische

d)

Formeel-operationele

8.

Volgens Erikson maakt een mens innerlijke psychische conflicten mee. Die tegenstrijdigheden, die tegenstellingen spelen een rol in onze socio-emotionele ontwikkeling.

a)

Waar

b)

Niet waar

9.

De twee polen bij een baby zijn:

a)

zelfstandigheid en schaamte en twijfel

b)

initiatief en schuld

c)

identiteit en identiteitsverwarring

d)

Vertrouwen en wantrouwen

10.

Konrad Lorenz is een Oostenrijks dierkundige. Hij was de eerste die het ontstaan van een band tussen een moederdier en een kind onderzocht.

a)

Waar

b)

Niet waar

11.

Een baby toont een sociale glimlach vanaf de leeftijd van drie weken.

a)

Waar

b)

Niet waar

12.

Vreemdenangst is angst als de hechtingsfiguur weggaat.

a)

Waar

b)

Niet waar

13.

Wat is het juiste hechtingstype?

De ouders reageren afstandelijk op de noden van hun kind. Het hechtingsgedrag van het kind wordt genegeerd.

a)

Veilig hechtingstype

b)

Afwerend hechtingstype

c)

Vermijdend hechtingstype

d)

Gedesoriënteerd hechtingstype

14.

Ik vind van mezelf dat ik de leerstof al goed beheers.

a)

Helemaal akkoord

b)

eerder akkoord

c)

eerder niet akkoord

d)

helemaal niet akkoord