wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

H2- De Griekse wereld

Total questions: 14

Worksheet time: 7mins

Name
Class
Date
1.

Welke van de onderstaande afbeeldingen hoort bij het tijdvak waar we nu mee bezig zijn..........

a)
b)
c)
d)
2.

Op welke van onderstaande afbeeldingen vind je een typisch bouwwerk volgens de vormentaal van dit tijdvak?

a)
b)
c)
d)
3.

Wat was de reden dat het Oude Griekenland moeilijk als een eenheid te besturen was?

a)

Door de vele oorlogen met andere rijken in Europa

b)

Door de vele bergen en zee die in dit gebied liggen

c)

Doordat er meerdere koningen aan de macht waren

4.

Griekenland bestond uit allemaal zogenaamde 'stadsstaten'. Wat is een andere naam voor stadsstaat?

a)

Polis

b)

Athene

c)

Paleis

d)

Kratus

5.

Kies het juiste antwoord. Een democratie is..........

a)

een bestuursvorm waarbij één iemand regeert.

b)

een bestuursvorm waarbij een kleine groep mensen regeert.

c)

een heel moderne bestuursvorm.

d)

een bestuursvorm waarbij het volk regeert.

6.

Veel mensen vinden dat de Atheense democratie geen echte democratie genoemd mag worden. Dit komt doordat........

a)

nog steeds 1 persoon alle beslissingen nam.

b)

omdat niet iedereen mee mocht stemmen.

c)

omdat er jaarlijks iemand weggestemd mocht worden.

d)

omdat de raad van 500 teveel macht had.

7.

Waarom werd het schervengericht ingevoerd?

a)

Zodat niet 1 persoon teveel macht kreeg.

b)

Zodat er eerlijk een nieuwe leider gekozen kon worden.

c)

Zodat als er ruzie ontstond tijdens de volksvergadering mensen niet elkaar te lijf gingen, maar slechts aardewerk kapot gooiden.

8.

Ca. 750 v.C.: Waarom migreerden sommige Grieken naar andere gebieden?

a)

Er was te weinig voedsel.

b)

Ze waren het mediterrane klimaat beu.

c)

Ze wouden eens iets anders eten dan druiven en olijven.

9.
Welke zin hoort niet bij de Griekse cultuur? 
a)
Sportwedstrijden houden voor de goden.
b)
Tempels bouwen voor de goden
c)
De Olympische Spelen
d)
Maar één god aanbidden
10.

Bij een monarchie

a)

is 1 persoon de baas. Zijn positie is erfelijk.

b)

zijn meerdere personen samen de baas. Zij komen uit de rijkste families.

c)

is 1 persoon de baas. Hij heeft met geweld de macht gegrepen.

d)

is het hele volk de baas. Zij kiezen de bestuurders.

11.

Bij een aristocratie

a)

is 1 persoon de baas. Zijn positie is erfelijk.

b)

is het hele volk de baas. Zij kiezen de bestuurders.

c)

is 1 persoon de baas. Hij heeft met geweld de macht gegrepen.

d)

zijn meerdere personen de baas. Zij komen uit de rijkste families.

12.

Bij een tirannie

a)

is het hele volk de baas. Zij kiezen de bestuurders.

b)

is 1 persoon de baas. Zijn positie is erfelijk.

c)

is 1 persoon de baas. Hij heeft met geweld de macht gegrepen.

d)

zijn meerdere personen de baas. Zij komen uit de rijkste families.

13.

Wie hadden in Athene burgerrecht?

a)

mannen

b)

mannen die in Athene zijn geboren

c)

mannen en vrouwen

d)

mannen en vrouwen die in Athene geboren zijn

14.

Wat was een hopliet?

a)

een volksvertegenwoordiger

b)

een vorst

c)

een soldaat met eigen uitrusting

d)

een Spartaanse man