wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

VGT

Total questions: 13

Worksheet time: 11mins

Name
Class
Date
1.

Bij welke principe pas de volgende stelling het beste?

'Iedere leerling krijgt evenveel ondersteuning ongeacht achtergrond en ondersteuning van huis uit.'

a)

Het gelijkheidsprincipe van gelijke uitkomsten

b)

Het behoefte principe

c)

?

d)

Het gelijkheidsprincipe van gelijke verdeling van middelen

2.

Welke theorie zegt dat contact tussen leden van verschillende groepen tot meer cohesie tussen groep leidt?

a)

Bridging capital

b)

Bounding capital

c)

Contact theorie

d)

?

3.

Aan welke DRIE voorwaarden moet het onderwijs in Nederland voldoen om inclusief te zijn?

a)

Het onderwijs moet gegeven worden met andere 'reguliere' leerlingen

b)

De school moet ondersteuning en toerusting bieden aan zowel leerkrachten, leerlingen en ouders

c)

De school moet zorgen voor extra personeel om inclusief onderwijs te waarborgen 

d)

het onderwijs moet thuis nabij zijn

4.

Wat is het pygmalion experiment?

a)

Onderzoek naar de invloed van leraren op de prestaties van leerlingen

b)

Onderzoek naar het verschil in verwachtingen van leraren voor leerlingen uit lagere sociaal-economische milieus en hogere sociaal-economische milieus

c)

Onderzoek naar het verschil in interactie tussen leraar en leerling bij leraren met hoge verwachtingen of lage verwachtingen

d)

?

5.

Wat is de goede omschrijving van het gelijkekansenideaal?

a)

Het streven naar maatschappelijke gelijkheid in een multiculturele samenleving

b)

Het streven dat schoolsucces van kinderen onafhankelijk is van kenmerken van ouders

c)

Het streven dat alle leerlingen naar een zo hoog mogelijke opleiding kunnen doorstromen

d)

?

6.

Een veel gemaakt onderscheid in effecten van differentiatie, is het onderscheid in convergente en divergente differentiatie. Welke stelling over differentiatie is juist?

a)

Divergente differentiatie kan ongunstig zijn voor de kansengelijkheid voor leerlingen uit lagere sociale milieus

b)

Divergente differentiatie leidt meestal tot een verbetering van de kansengelijkheid voor leerlingen uit lagere sociale milieus

c)

Convergente differentiatie valt meestal ongunstig uit voor de kansengelijkheid voor leerlingen uit lagere sociale milieus

d)

?

7.

Welke stelling over de optimale leeromgevingen voor de leerlingen is typerend voor de curriculumideologie ‘Scholar Academic’? 

a)

De leerling leert het best door een maatschappelijk probleem te ervaren en door te participeren aan het bedenken van oplossingen van dit probleem

b)

De leerling leert het best als gebruik wordt gemaakt van stimulerende materialen en positieve bekrachtiging

c)

De leerling leert het best als de leraar de leerstof die geleerd moet worden duidelijk en nauwkeurig uitlegt

d)

?

8.

Het bespreken van de vrijheid van meningsuiting in het kader van burgerschap valt in het PO onder de invalshoek:

a)

basiswaarden en sociale maatschappelijke competenties

b)

onderwijskundige uitgangspunten

c)

schoolklimaat

9.

Wat zijn distributieve waarden?

a)

Distributieve waarden zijn waarden die gaan over de verdeling van educatieve goederen

b)

Distributieve waarden zijn waarden die belangrijk zijn om mee te nemen in beslissingen die gemaakt worden in het onderwijs

c)

Distributieve waarden zijn waardevolle uitkomsten van het onderwijs

d)

?

10.

Wat is een onderwijspraktijk die typerend is voor een hoge verwachtingenleraar?

a)

Zeer regelmatig monitoren van leerlingen

b)

Differentiëren in niveaugroepen met eigen leerdoelen

c)

Minder frequent monitoren van leerlingen

d)

?

11.

Welk type burgerschap past bij de volgende stelling? 'In het onderwijs zou het accent moeten liggen op het volgen van de regels en normen, op het tonen van het goede voorbeelden en op het doorgeven van waarden, normen en cultuur.

a)

Individualistisch burgerschap

b)

Aanpassingsgericht burgerschap

c)

Synthese van individualistisch en aanpassingsgericht burgerschap 

d)

?

12.

Condron (2008) onderzocht het effet van niveaudifferentiatie op gelijke kansen voor leerlingen (grouped students) en stelde hiervoor vooraf drie verschillende hypotheses (zie afbeelding).

Welk effect van niveaudifferentiatie toonde hij aan?

a)

Het werken met niveaugroepen reproduceert ongelijkheid

b)

Het werken met niveaugroepen vermindert de ongelijkheid

c)

Het werken met niveaugroepen vergroot de ongelijkheid

13.

Bij welk curriculumideologie van Schiro past de volgende stelling het beste?

'Het belangrijkste doel van het onderwijs is leerlingen te leren om maatschappelijke problemen te onderkennen en om bij te dragen aan een samenleving waarin mensen in harmonie met elkaar samenleven.'

a)

Social reconstruction

b)

Social efficiency

c)

?

d)

Learner centered