wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Nederland als Industriële samenleving p. 1 t/m 3

Total questions: 20

Worksheet time: 41mins

Name
Class
Date
1.

Wat bedoelen we met de industriële revolutie?

a)

de grote verandering in de 18e en 19e eeuw door de komst van fabrieken en nieuwe vervoermiddelen

b)

de opstand van de arbeiders tegen de fabriekseigenaren vanwege de slechte arbeidsomstandigheden

c)

de kleine, plotseling verandering van de trek van mensen van het platteland naar de stad

d)

het gevecht van de fabriekseigenaren met de overheid ommeer geld te ontvangen om machines te kopen

2.

aan het begin van de 19e eeuw was er een groot verschil tussen de inkomsten van Noord-Nederland en de inkomsten van Zuid-Nederland.

Welke inkomstenbron (hoe kwamen ze aan geld) had Noord-Nederland vooral?

(a)  

3.

In welk jaar kwamen de Belgen in de Republiek in opstand?

a)

1815

b)

1830

c)

1848

d)

1874

4.

In welk gebied in Nederland was er aan het einde van de 19e eeuw vooral sprake van huisnijverheid?

a)

Amsterdam

b)

Maastricht

c)

Twente

d)

Brabant

5.

Waarom was er vooral in Twente veel huisnijverheid mogelijk?

Kies de twee goede antwoorden.

a)

er was altijd al veel huisnijverheid

b)

er konden daar geen fabrieken worden gebouwd

c)

er waren daar veel arbeiders die tegen lage lonen wilden werken

d)

er waren daar meer opleidingsscholen voor jonge mensen

6.

Wat bedoelen we met infrastructuur?

a)

wegen, spoorwegen, waterwegen en andere verbindingen in een gebied

b)

de omstandigheden waarin mensen moeten leven

c)

de trek van het platteland naar de stad

d)

de bouw van fabrieken in een korte tijd in de 18e en 19e eeuw

7.

Waarom betekende protesteren in Nederland in de 19e eeuw vaak dat je werd ontslagen?

Kies de juiste antwoorden.

a)

fabriekseigenaren leefden onder hoge druk en hadden geen mogelijkheid om lonen te verhogen

b)

fabrieksarbeiders hadden geen rechten en wetten die hen beschermden

c)

er was een groot aanbod van werklozen die graag je plek in wilden nemen

d)

arbeiders kregen veel geld als ze ziek waren

e)

eigenaren van fabrieken waren veel geld kwijt aan lonen en verzekeringen

8.

Om sneller te produceren maakten fabrieksarbeiders geen compleet product meer, maar slechts een onderdeel daarvan.

Hoe noemen we dit?

a)

arbeidsomstandigheden

b)

vakbond

c)

infrastructuur

d)

arbeidsdeling

9.

Waarom moesten vrouwen en kinderen op een fabriek ook meewerken?

a)

omdat de lonen te laag waren om als arbeidersgezin van te leven

b)

vrouwen en kinderen werkten harder dan volwassen mannen

c)

er was teveel werk om alleen door mannen gedaan te worden

d)

alle voorgaande antwoorden zijn juist

10.

Kies de twee juiste redenen waarom er veel mensen van het platteland naar de steden trokken in het midden- en aan het einde van de 19e eeuw?

a)

door technische verbeteringen en kunstmest waren er minder landarbeiders nodig

b)

op het platteland waren de werkzaamheden steeds zwaarder en boeren kozen voor een alternatief in de stad

c)

de landbouw bracht veel minder geld op en daardoor gingen boeren op zoek naar andere manieren van inkomsten

d)

de bevolking groeide en daardoor hadden meer mensen werk nodig

11.

Wat was het meest voorkomende gevolg van protesterende arbeiders aan het einde van de 19e eeuw?

a)

loon werd verlaagd

b)

loon werd tijdelijk stopgezet

c)

er volgde ontslag

d)

hongersnood

12.

Een (a)   is een vereniging van werknemers die opkomt voor de belangen van hun leden.

Welk woord ontbreekt er in de voorgaande zin op de lege lijn?

13.

Welke groep in de samenleving kwam er vooral op voor arbeiders?

a)

confessionelen

b)

arbeiders

c)

liberalen

d)

socialisten

14.

Welk basisprincipe over normen en waarden hoort er vooral bij de groep van liberalen?

a)

de overheid moet zich alleen bemoeien met mensen als zij het zelf niet kunnen

b)

gelijkheid

c)

meer kiesrecht voor vrouwen

d)

vrijheid

15.

Welk doel hadden de socialisten en de confessionelen gemeen?

a)

meer vrijheid van de economie

b)

betere arbeidsomstandigheden voor arbeiders

c)

meer kiesrecht voor liberale mannen

d)

meer subsidie voor bijzondere scholen

16.

Welke wetten kwamen er eind 19e eeuw om arbeiders, vrouwen en kinderen te beschermen?

Meerdere antwoorden mogelijk!

a)

Kinderwetje van Van Houten

b)

Arbeidswet

c)

Algemeen Kiesrecht

d)

Vakbondswet

e)

Leerplichtwet

17.

In welk jaar is het Kinderwetje van Van Houten opgesteld?

a)

1874

b)

1886

c)

1889

d)

1901

18.

Hoe heet de wet die lange werkdagen, gevaarlijk werk en nachtarbeid in fabrieken en werkplaatsen voor vrouwen en kinderen tot 12 jaar verbood?

(a)  

19.

In 1886 mochten méér mannen stemmen dan in de jaren daarvoor.

Welke mannen mochten nu ook meestemmen?

a)

mannen die voldoende belasting betaalden

b)

mannen die konden lezen en schrijven

c)

mannen die een bepaald bedrag aan huur betaalden

d)

mannen die een onderdeel waren van de socialisten en confessionelen

20.

Wat waren feministen aan het einde van de 19e eeuw/ begin 20e eeuw?

a)

arbeiders die opkomen voor betere werkomstandigheden van vrouwen

b)

vrouwen die streden voor betere onderwijskansen en vrouwenkiesrecht

c)

mannen en vrouwen die opkomen voor algemeen kiesrecht

d)

socialisten die opkwamen voor arbeiders