Font size
Worksheetshg 1 C 1 + 2 Gramaticale voorbeelden + woorden
Total questions: 55
Worksheet time: 51mins
quemarse
(a)
un trapo
(a)
se ha quemado
(a)
ganar dinero
(a)
el puente
(a)
viticultura
(a)
el envase
(a)
han pasado
(a)
traducir
(a)
conocer
(a)
parecer
(a)
nacer
(a)
ik ken
(a)
ik vertaal
(a)
ik lijk
(a)
ja ik ken ze allemaal
(a)
nee ik ken niemand
(a)
Ik studeer uit interesse
Estudio por interés
Estudio para interés
Ik studeer voor/ vanwege mijn werk
estudio por mi trabajo
estudio para mi trabajo
we reizen via Parijs
viajamos por París
viajamos para París
ik heb het gekocht voor
lo he comprado por
lo he comprado para
Bedankt voor alles
Gracias por todo
Gracias para todo
Ik studeer Spaans om door Peru te reizen
Estudio espanol por viajar por Perú
Estudio espanol para viajar por Perú
Ik studeer Spaans om met mijn schoonfamilie te kunnen praten
Estudio espanol por hablar con mi familia política
Estudio espanol para hablar con mi familia política
Waarom
Por que
Porque
omdat
porque
por que
ik reisde
(a)
ik kende
(a)
jij woonde
(a)
hij kende
(a)
jullie woonden
(a)
hij verhuisde
(a)
we verhuisden
(a)
ze kenden
(a)
ze verhuisden
(a)
jullie reisden
(a)
hij werkte
(a)
ik maakte open
(a)
ik ging
(a)
hij maakte open
(a)
hij ging
(a)
ik heb gisteren de eigenaar leren kennen (zonder de ñ~)
(a)
Waar ben je geboren?
(a)
We zijn vorige maand naar Amsterdam verhuisd
(a)
Waarom ben je niet naar de vergadering gegaan
(a)
we zijn tot drie uur gebleven
(a)
ik heb tot mijn 18de in Eindhoven gewoond
(a)
vinden
(a)
hij vond
(a)
cervecería
(a)
vestigen installeren
(a)
hij vestigde
(a)
está considerado
(a)
testigo de la novia
(a)
de knuffels (knuffeldieren)
(a)
