wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Taal woordenschat Eskimo's

Total questions: 20

Worksheet time: 10mins

Name
Class
Date
1.

de Eskimo

a)

Een bewoner van het noordpoolgebied

b)

Een bewoner van een Iglo

c)

'Inuit' betekent 'echte mensen'. Zo noemen de Eskimo's zichzelf

d)

Een inwoner van Nederland

2.

de iglo

a)

Een rond huis van blokken sneeuw

b)

Een vierkant huis van blokken sneeuw

c)

Een gat in het ijs

d)

Het stuk land rond de Noordpool

3.

de Inuit

a)

'Inuit' betekent 'echte mensen'. Zo noemen Eskimo's zichzelf.

b)

De taal die Eskimo's spreken.

c)

Een bewoner van het noordpoolgebied

d)

Een rond huis van blokken sneeuw

4.

het Inuktitut

a)

De taal die veel Eskimo's spreken.

b)

'Inuit' betekent 'echte mensen'

c)

Zo noemen Eskimo's zich

d)

Een bewoner van het noordpoolgebied

5.

de hondenslee

a)

Een slee die door honden getrokken wordt

b)

Een bewoner van het noordpoolgebied

c)

Een voertuig waarmee je over de sneeuw kunt rijden.

d)

Het stuk land rond de Noordpool.

6.

het noordpoolgebied

a)

Het stuk land rond de Noordpool.

b)

Een bewoner van het noordpoolgebied.

c)

Een gat in het ijs.

d)

Aan elkaar plakken doordat het heel koud is.

7.

rauw

a)

Eten dat niet gekookt of gebakken is.

b)

Een gat in het ijs.

c)

Een rond huis in blokken sneeuw.

d)

Eten dat gekookt of gebakken is.

8.

de sneeuwscooter

a)

Een voertuig waarmee je over de sneeuw kunt rijden. Het is aan de bovenkant een soort scooter en aan de onderkant zitten ski's en rupsbanden

b)

Het is een scooter die kan schaatsen.

c)

Het is een scooter van sneeuw.

d)

Een slee die door honden getrokken wordt.

9.

vastvriezen

a)

Aan elkaar plakken doordat het heel koud is.

b)

Los van elkaar gaan doordat het heel koud is.

c)

Vastzitten aan ijs.

d)

Een huis van blokken sneeuw.

10.

het wak

a)

Een gat in het ijs.

b)

Een gat in de iglo.

c)

Een rond huis van blokken sneeuw.

d)

Het stuk land rond de Noordpool.

11.

bloggen

a)

Een dagboek bijhouden op het internet.

b)

Een dagboek bijhouden op papier.

c)

Een gat maken in het ijs.

d)

Filmen en vertellen wat je doet.

12.

de harpoen

a)

Een grote pijl van ijzer met haakjes eraan.

b)

Heel erg koud.

c)

Een kano voor een persoon.

d)

Een soort rendier.

13.

ijzig

a)

Heel erg koud. Zo koud dat je er bijna van bevriest.

b)

Heel heel heel erg koud.

c)

De periode in de winter in het poolgebied waarin de zon niet boven de horizon uitkomt.

d)

Koud

14.

het jachtgebied

a)

De plek waar je jaagt

b)

Een grote pijl van ijzer met haakjes eraan

c)

Een soort rendier

d)

Mensen die rondtrekken zonder ergens vast te blijven.

15.

de kajak

a)

Een kano voor één persoon

b)

Een kano voor twee personen

c)

Een soort rendier

d)

De plek waar je jaagt

16.

de kariboe

a)

Een soort rendier

b)

Een kano voor één persoon

c)

De plek waar je jaagt

d)

Een grote pijl van ijzer met haakjes eraan

17.

de middernachtzon

a)

De zon in het poolgebied die niet ondergaat in de zomer. Hij schijnt dus ook 's nachts

b)

De periode in de winter in het poolgebied waarin de zon niet boven de horizon uitkomt. Het wordt overdag dus niet licht.

c)

Een dagboek bijhouden op internet.

d)

Mensen die rondtrekken zonder ergens vast te blijven wonen.

18.

de nomaden

a)

Mensen die rondtrekken zonder ergens vast te wonen

b)

Mensen die rondtrekken en ergens vast wonen.

c)

Van de ene plek naar de andere gaan, en dan weer verder

d)

Mensen die niks mogen

19.

de poolnacht

a)

De periode in de winter in het poolgebied waarin de zon niet boven de horizon uitkomt. Het wordt overdag dus niet licht.

b)

De zon in het poolgebied die niet ondergaat in de zomer. Hij schijnt dus ook 's nachts.

c)

Een nacht in Polen.

d)

Van de ene plek naar de andere gaan, en dan weer verder.

20.

rondtrekken

a)

Van de ene plek naar de andere gaan, en dan weer verder.

b)

Ergens vast blijven wonen

c)

De plek waar je jaagt.

d)

Een grote pijl van ijzer met haakjes eraan.