Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Havo 3 - H1 en H2 (lez, ws, gram, spell)

Total questions: 53

Worksheet time: 18mins

Name
Class
Date
1.

Het onderwerp van een tekst formuleer je als

a)

Een zin

b)

Een zinsgedeelte

c)

Een groepje woorden

2.
Wat is een kernzin? 
a)
De belangrijkste zin die in een alinea staat. 
b)
De belangrijkste zin die in een tekst staat. 
c)
Een zin waarmee je als lezer de hele tekst samenvat. 
d)
Een zin waarmee je als lezer de alinea samenvat. 
3.

Wat is een tekststructuur?

a)

Een opbouw van een tekst met tussenkopjes

b)

Een opbouw van tekst met titel, plaatjes en tussenkopjes

c)

Een vaste opbouw/indeling van inleiding, middenstuk en slot

d)

Een opbouw waarbij alle alinea's met elkaar te maken hebben

4.

Welke bewering over tekststructuren is onjuist?

a)

Teksten met structuur hebben altijd inleiding, kern en slot

b)

Teksten hebben niet altijd een tekststructuur

c)

Teksten met structuur hebben altijd dezelfde inleiding

5.

Welke leesstrategie pas je toe om de tekststructuur te achterhalen?

a)

globaal

b)

oriënterend

c)

precies

d)

zoekend

6.

Welke structuur ziet er als volgt uit:

Inleiding: onderwerp

Middenstuk: diverse aspecten van het onderwerp

Slot: samenvatting

a)

Aspectenstructuur

b)

Argumentatiestructuur

c)

Verklaringsstructuur

d)

Voor- en nadelenstructuur

7.

Welke tekststructuur ziet er als volgt uit:

Inleiding: stelling

Middenstuk: argumenten voor de stelling + weerlegging

Slot: herhaling stelling

a)

argumentatiestructuur

b)

aspectenstructuur

c)

verklaringsstructuur

d)

vraag/antwoordstructuur

8.

Welke tekststructuur ziet er als volgt uit:

Inleiding: vraag of stelling

Middenstuk: voor- en nadelen

Slot: afweging, conclusie

a)

Voor- en nadelenstructuur

b)

Argumentatiestructuur

c)

Verklaringsstructuur

d)

Aspectenstructuur

9.

Welke tekststructuur ziet er als volgt uit:

Inleiding: bepaald verschijnsel

Middenstuk: kenmerken/voorbeelden/verklaringen

Slot: samenvatting

a)

argumentatiestructuur

b)

aspectenstructuur

c)

verleden/heden/(/toekomst)structuur

d)

verklaringsstructuur

10.

Welke structuur ziet er als volgt uit:

Inleiding: vraag

Middenstuk: antwoord(en)

Slot: samenvatting of conclusie

a)

Vraag/antwoordstructuur

b)

Argumentatiestructuur

c)

Probleem/oplossingsstructuur

d)

Verklaringsstructuur

11.
laten steunen
a)
baseren
b)

ondersteunen

c)

leunen

d)

dragen

12.
bijdragen aan; vergroten
a)
bevorderen
b)

aangrenzen

c)

verschaffen

d)

begroten

13.
doeltreffend; nuttig
a)
effectief
b)

handig

c)
aangrenzend
d)

slim

14.
met betrekking tot goed en kwaad
a)
ethisch
b)

moraal

c)

pathos

d)

logos

15.
douanebeambte
a)
grensbewaker
b)

politie

c)

grensagent

d)

ambtenaar van de grenzen

16.
voortplanting van onderling nauw verwante dieren
a)
inteelt
b)

uitbreiding

c)
ecologisch
d)
biometrisch
17.
kritische opmerkingen
a)
kanttekeningen
b)

argumenten

c)

weerleggingen

d)

tegenargumenten

18.
bezorgen; geven
a)
verschaffen
b)

leiden tot

c)
streven naar
d)

verzorgen

19.
iets tussen acceptabel en niet-acceptabel in zijn
a)
een grensgeval zijn
b)

moraal

c)

ethiek

d)

onbegrensd

20.
nieuwe normen stellen; zijn veilige omgeving verlaten
a)
zijn grenzen verleggen
b)
aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid
c)
over de grens kijken
d)
ondergrens
21.

fabeltjes

a)

verzinsels

b)

mannelijk

c)

waarheden

d)

grappige verhalen

22.

masculien

a)

mannelijk

b)

vrouwelijk

23.

bescheiden

a)

inactief

b)

helemaal

c)

kleine

d)

minuscuul

24.

campagne

a)

camping

b)

publieksactie

c)

gemeenteverkiezing

d)

Franse wijn

25.

maskeren

a)

verbergen

b)

het dragen van een masker

c)

onthullen

d)

markeren

26.

überhaupt

a)

niet

b)

overtuigd

c)

helemaal

d)

zeker

27.

omslag

a)

aanpak

b)

doorslag

c)

doek die je kunt omslaan

d)

verandering

28.

verbastering

a)

vervorming

b)

verslechtering

c)

vergroting

d)

verandering

29.

een aardig optrekje

a)

een heel mooi huis (eufemisme)

b)

een heel mooi huis (understatement)

c)

een erg vriendelijke ontmoeting (eufemisme)

d)

een erg vriendelijke ontmoeting (understatement)

30.

een zee van

a)

uitgebreid (hyperbool)

b)

uitgebreid (understatement)

c)

heel veel (hyperbool)

d)

heel veel (understatement)

31.

Wat is het antecedent in de volgende zin? Dagobert Duck, die letterlijk zwemt in zijn geld, staat bekend als een gierigaard.

a)

een gierigaard

b)

die letterlijk zwemt in zijn geld

c)

Dagobert Duck

d)

zijn geld

32.

Wat is het antecedent in de volgende zin? Met Pinksteren gaan we een lang weekend kamperen op Terschelling, wat we allemaal erg leuk vinden.

a)

Met Pinksteren gaan we een lang weekend kamperen op Terschelling

b)

Terschelling

c)

Pinksteren

d)

we allemaal erg leuk vinden

33.

Wat is het antecedent in de volgende zin? Omdat de club Europees voetbal misliep, is de nieuwe coach van AC Milan, van wie men veel verwachtte, al na vier maanden weer ontslagen.

a)

Omdat de club Europees voetbal misliep

b)

na vier maanden

c)

AC Milan

d)

de nieuwe coach van AC Milan

34.

Benoem het onderstreepte woord.

Wij gaan dit weekend zeilen, wat ik erg leuk vind.

wat =

a)

betrekkelijk voornaamwoord

b)

betrekkelijk voornaamwoord met ingesloten antecedent

c)

onderschikkend voegwoord

d)

vragend voornaamwoord

35.

Benoem het onderstreepte woord.

Wie kaatst, kan de bal verwachten, hè?

Wie =

a)

betrekkelijk voornaamwoord

b)

betrekkelijk voornaamwoord met ingesloten antecedent

c)

onderschikkend voegwoord

d)

vragend voornaamwoord

36.

Men vindt tegenwoordig steeds meer dat roken verboden moet worden.

a)

persoonlijk voornaamwoord

b)

aanwijzend voornaamwoord

c)

bezittelijk voornaamwoord

d)

onbepaald voornaamwoord

37.

Iets wat ik me altijd al afgevraagd heb, is waarom de lucht blauw is.

a)

aanwijzend voornaamwoord

b)

betrekkelijk voornaamwoord

c)

vragend voornaamwoord

d)

onbepaald voornaamwoord

38.

Iets wat ik me altijd al afgevraagd heb, is waarom de lucht blauw is.

a)

Betrekkelijk voornaamwoord

b)

Onbepaald voornaamwoord

c)

Vragend voornaamwoord

d)

Aanwijzend voornaamwoord

39.

Ik heb bij deze winkel wat gekocht.

a)

persoonlijk voornaamwoord

b)

betrekkelijk voornaamwoord

c)

onbepaald voornaamwoord

d)

aanwijzend voornaamwoord

40.

Benoem de woordsoort:

We hebben het allemaal wel eens iets kapot gemaakt.

a)

allemaal: telwoord/iets: onbepaald voornaamwoord

b)

allemaal en iets zijn aanwijzende voornaamwoorden

c)

beide woorden zijn aanwijzende voornaamwoorden

d)

beide woorden zijn onbepaalde voornaamwoorden

41.

Hij zet de warme kraan aan.

a)

wwg = hij zet

b)

wwg = zet

c)

wwg = zet aan

d)

o = de warme kraan

42.

De boiler is nog steeds niet gemaakt.

a)

wwg = is gemaakt

b)

nwg = is gemaakt

c)

wwg = is niet gemaakt

d)

nwg = is

43.

Het gehuil wordt alleen maar erger.

a)

wwg = wordt erger

b)

nwg = wordt erger

c)

nwg = wordt

44.

Het water blijft koud.

a)

wwg

b)

nwg

45.

Een bijvoeglijke bijzin bevat wel/niet een persoonsvorm. 

a)
wel
b)

niet

46.
Wat is de bijvoeglijke bijzin in de volgende zin?
In het huis waar Ellen woont, plaatsen ze een nieuwe keuken. 
a)
In het huis waar Ellen woont
b)
waar Ellen woont
c)
plaatsen ze een nieuwe keuken
47.
Benoem het blauwe zinsdeel:
Mensen die mijn cd´s beschadigen, leen ik ze niet meer uit. 
a)
Bijvoeglijke bepaling
b)
Meewerkend voorwerpszin
c)
Bijvoeglijke bijzin
48.

In deze zin hoeven er geen accenten op eenmalig:

U kunt uw wachtwoord slechts eenmalig gebruiken.

a)

juist

b)

onjuist

49.

Wow, die Miguel lijkt echt op die ene ...

a)

BN-er

b)

BN'er

c)

BNer

d)

B.N.-er

50.

Verdient Markus echt zoveel ... (meervoud van euro)?

a)

euros

b)

euroos

c)

euro's

51.

Anouk wil na tien jaar graag naar de .......... .

a)

reunie

b)

reünie

c)

rëunie

d)

reunïe

52.
Wat is het juiste verkleinwoord van 'café'?
a)
caféetje
b)
cafétje
c)
cafeetje
d)
café'tje
53.

André houdt niet zo van al die ..

a)

media-aandacht

b)

media aandacht

c)

media'aandacht

Similar Resources on Wayground