Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Havo 2 - Kennis Quiz over H1: Reformatie en Opstand

Total questions: 22

Worksheet time: 21mins

Name
Class
Date
1.

Hoe wordt iemand genoemd die tegen de leer van de kerk ingaat?

(a)  

2.

Hoe wordt de kerkelijke rechtbank genoemd die door de paus was opgericht om mensen met een andere mening over het geloof op te sporen en te veroordelen?

(a)  

3.

Wat is een goed voorbeeld van kritiek op de kerk rond 1500?

a)

Men had kritiek op de verkoop van aflaatbrieven

b)

Men had kritiek op het vereren van heiligen

c)

Men vond dat de kerk te rijk was

d)

Alle antwoorden zijn juist

4.

Geef aan welke stelling(en) juist is/zijn:


Stelling I: Luther en Calvijn hadden dezelfde ideeën over het ware geloof


Stelling II: Luther en Calvijn zijn allebei hervormer

a)

Alleen stelling I is juist

b)

Alleen stelling II is juist

c)

Beide stellingen zijn juist

d)

Beide stellingen zijn onjuist

5.

Wat was een direct gevolg van alle kritiek van Luther op de kerk?

a)

Er ontstond een nieuwe kerkstroming: het protestantisme

b)

Luther had veel kritiek op de verkoop van aflaatbrieven

c)

Luther was op reis geweest naar Rome en zag veel dingen die niet waren zoals de Bijbel beschreef

d)

Luther werd door de paus uit de kerk gezet (inclusief zijn aanhangers)

6.

Welke uitspraak(en) is/zijn juist?


Uitspraak I: Een gevolg van het uiteenvallen van de christelijke kerk in de 16e eeuw is dat er naast het katholieke geloof ook het protestantse geloof ontstond


Uitspraak II: Door het uiteenvallen van de christelijke kerk in de 16e eeuw ontstonden er godsdienstoorlogen

a)

Uitspraak I is juist

b)

Uitspraak II is juist

c)

Beide uitspraken zijn juist

d)

Beide uitspraken zijn onjuist

7.

Tegen welke problemen liep Karel V aan bij het besturen van de Nederlandse gewesten?

a)

De gewesten hadden verschillende wetten

b)

De gewesten hadden verschillende belastingen

c)

De gewesten hadden verschillende bestuurders

d)

De Nederlanden bestonden uit 17 gewesten

e)

Karel V had in de Nederlanden een centraal bestuur

8.

Uit welke onderdelen bestond het centraal bestuur van Karel V?

a)

Een landvoogd in elk gewest die moest zorgen voor orde en rust

b)

Een stadhouder die de Nederlanden moest besturen

c)

In alle gewesten dezelfde belastingen

d)

In alle gewesten dezelfde regels

e)

Karel V stelde ambtenaren aan, die hem hielpen bij het bestuur

9.

Inwoners van de Nederlanden waren ontevreden over de Spaanse koning. Dit had meerdere oorzaken.


Bijvoorbeeld: Nederlandse edelen wilden geen centraal bestuur, hierdoor verloren zij de belangrijke rol die zij hadden gehad binnen het bestuur.


Geef aan of de oorzaak economisch, politiek, religieus of sociaal is.

(a)  

10.

Inwoners van de Nederlanden waren ontevreden over de Spaanse koning. Dit had meerdere oorzaken.


Bijvoorbeeld: Nederlanders waren tegen vaste belastingen, dit kostte hen veel geld en hierdoor verloren ze macht.


Geef aan of de oorzaak economisch, politiek, religieus of sociaal is.

(a)  

11.

Inwoners van de Nederlanden waren ontevreden over de Spaanse koning. Dit had meerdere oorzaken.


Bijvoorbeeld: Nederlanders vonden dat de Spaanse koning veel te streng optrad tegen protestanten.


Geef aan of de oorzaak economisch, politiek, religieus of sociaal is.

(a)  

12.

Geef aan welke stelling(en) juist is/zijn.


Stelling I: Een oorzaak van de Beeldenstorm is dat Nederlandse edelen aan de landvoogdes hebben gevraagd de kettervervolgingen te stoppen. Dit stopte daarna tijdelijk.


Stelling II: De enige oorzaak van de Beeldenstorm is dat een hagenpreek van de protestanten uit de hand liep.

a)

Alleen stelling I is juist

b)

Alleen stelling II is juist

c)

Beide stellingen zijn juist

d)

Beide stellingen zijn onjuist

13.

Wat is/zijn een direct(e) gevolg(en) van de Beeldenstorm?

a)

Filips II is woedend en stuurt hertog van Alva naar de Nederlanden

b)

Hertog van Alva richt een rechtbank op om de beeldenstormers te straffen

c)

Hertog van Alva stelt extra belastingen in

d)

Willem van Oranje vlucht gelijk naar het buitenland als hij hoort over de Beeldenstorm

14.

Na de komst van Alva komen een aantal Nederlanders in opstand. Door wie worden zij geleid?

(a)  

15.

De opstandelingen worden geholpen door protestantse vluchtelingen, die als een soort piraten de wateren rond de Nederlanden onveilig maakten. Hoe worden deze mensen genoemd?

(a)  

16.

Juist of onjuist?


De verovering van Den Briel in 1572 is belangrijk voor de opstandelingen, omdat het vertrouwen in de opstand hierdoor groeide. Steeds meer plaatsen in de Nederlanden sloten zich aan bij de opstand.

a)

Juist

b)

Onjuist

17.

Hoe verzetten de bewoners van de Nederlanden zich tegen Spanje?

a)

De Nederlanden hadden een huurleger

b)

De voorkeur ging uit naar grote veldslagen

c)

Men voerde snelle aanvallen uit en vluchtte daarna weer de zee op

d)

Opstandelingen staken dijken door, zodat grote gebieden onder water kwamen te staan

18.

Vanaf welk jaar erkende de noordelijke gewesten Filips II niet langer als hun koning?

(a)  

19.

Welke religieuze gevolgen had de onafhankelijkheidsverklaring van de Noordelijke Nederlanden?

a)

Elk gewest behield eigen wetten en rechtspraak

b)

Alleen calvinistische inwoners mochten bestuurstaken uitvoeren

c)

Binnenshuis mocht men geloven wat die wilde

d)

De Staten-Generaal ging over oorlog, vrede en buitenlandse zaken

e)

Katholieke inwoners moesten in het geheim samenkomen, omdat alleen de calvinistische kerkdiensten in het openbaar gehouden mochten worden

20.

Wat is geen reden dat de opstandelingen steeds sterker werden?

a)

De Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden (noordelijke Nederlanden) was rijk geworden en kon een huurleger betalen

b)

De Republiek kreeg sterke bondgenoten

c)

De Noordelijke Nederlanden konden geen geschikte kandidaat voor het koningschap vinden

d)

De Spanjaarden voerden veel oorlogen tegelijk, hierdoor hadden ze minder tijd en geld voor de strijd tegen de Republiek

21.

Door de wapenstilstand van 1609-1621 (Twaalfjarig Bestand) namen de handel en welvaart in De Republiek toe. Wat voor soort gevolg is dat?

a)

Economisch

b)

Politiek

c)

Religieus

d)

Sociaal

22.

In 1648 houdt de strijd tussen de Republiek en Spanje op. Spanje erkent dan de Republiek als onafhankelijke staat. Hoe wordt deze vrede genoemd?

(a)