WorksheetsAfronden unité 2 H3
Total questions: 24
Worksheet time: 24mins
Geef de Nederlandse vertaling van:
le séjour
(a)
Geef de Nederlandse vertaling van:
le cours
(a)
Geef de Nederlandse vertaling van:
le commerce
(a)
Geef de Nederlandse vertaling van:
le rêve
(a)
Geef de Franse vertaling van:
kiezen
(a)
Geef de Franse vertaling van:
de studie
(a)
Geef de Franse vertaling van:
sociaal
(a)
Geef de Franse vertaling van:
lijken
(a)
Zet het werkwoord tussen haakjes in de imparfait
Nous (a) (parler)
Zet het werkwoord tussen haakjes in de imparfait
Tu ... (être)
(a)
Zet het werkwoord tussen haakjes in de imparfait
Elle ... (avoir)
(a)
Zet het werkwoord tussen haakjes in de imparfait
Elles ... (chercher)
(a)
Geef de goede vertaling van het werkwoord faire.
Jij doet/maakt
(a)
Geef de goede vertaling van het werkwoord faire.
wij doen/maken
(a)
Geef de goede vertaling van het werkwoord faire.
Jullie hebben gemaakt/gedaan
(a)
Geef de goede vertaling van het werkwoord faire.
ik maakte / deed
(a)
Geef de goede vertaling van het werkwoord aller.
jullie gaan
(a)
Geef de goede vertaling van het werkwoord aller.
zij gaan (mannelijk)
(a)
Geef de goede vertaling van het werkwoord aller.
Zij is gegaan
(a)
Geef de goede vertaling van het werkwoord aller.
wij gingen
(a)
Maak de volgende zin vragend aan de hand van manier 1 intonatie.
Tu as fait les devoirs.
(a)
Maak de volgende zin vragend aan de hand van manier 2 est-ce que.
Elle a acheté une baguette.
(a)
Maak de volgende zin vragend aan de hand van manier 3 inversie
Tu as une grande pizza.
(a)
Maak de volgende zin vragend aan de hand van manier 3 inversie
nous allons au restaurant ce soir.
(a)
