wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Pioniers van het modernisme MODULE 6

Total questions: 11

Worksheet time: 6mins

Name
Class
Date
1.

Als je het hebt over de Eerste Wereldoorlog en de periode daarna: welke begrippen horen er NIET bij?

a)

wapenwedloop, nationalisme, militarisme, chemische wapens (mosterdgas), tank, mitrailleur, loopgraven, prikkeldraad, kapotgeschoten niemandsland

b)

ontgoocheling, morele ontreddering, angst voor de massa, verlangen naar individualisme, cultuurkritiek, somberheid

c)

politieke rust, economische vooruitgang voor iedereen, traditioneel realisme continueert, vertrouwen in de massacultuur

d)

het positief omarmen van vernieuwing en

(technologische) vooruitgang, nieuwe muziek en dans uit Amerika, krachtiger vrouwenbeweging

2.

Wat veroorzaakten de opvattingen van Freud?

a)

ondermijning van de ideologie (wereldbeeld en normen en waarden) van de burgerij

b)

de Tweede Wereldoorlog

c)

krachtiger vrouwenbeweging

d)

economische crisis en opkomst NSB

3.

Van wie komt de term 'het onbewuste'?

a)

Henri Bergson

b)

Sigmund Freud

c)

Walter Benjamin

d)

Frans Ferdinand

4.

Nederland in de periode 1900-1940. Welke beschrijvingen horen er NIET bij?

a)

grondwetswijziging 1917, algemeen mannenkiesrecht, kiesrecht voor vrouwen in 1919, gelijkstelling van openbaar en bijzonder lager onderwijs

b)

minder naar de kerk, meer naar school, minder werken en meer seks

c)

jeugd stort zich op nieuwe muziek (jazz) Amerikaanse dansen als charleston en lindy hop; angst voor verlies Nederlands cultuur bij de ouderen

d)

ongeschoolde arbeiders, verlengstuk van machines, economische crisis, koopkrachtverlies, grote werkloosheid, opkomst NSB

5.

Wat kenmerkt de filosofie van Henri Bergson (1859-1941)?

a)

exact denken

b)

intuïtie als middel tot kennis

c)

het onbewuste kan zich uiten in gedrag, neuroses

d)

'Van dat, waarover niet kan worden gesproken, moet men zwijgen'

6.

Van wie komt het onderscheid tussen meetbare tijd (= tijd als opeenvolging van afzonderlijke momenten) en tijd als zuivere duur (= duree)?

a)

Henri Bergson

b)

Sigmund Freud

c)

Walter Benjamin

d)

Frans Ferdinand

7.

Van wie komt de observatie dat mensen leefden op het snelle ritme van de stad en daardoor vluchtig waarnamen?

a)

Henri Bergson

b)

Sigmund Freud

c)

Walter Benjamin

d)

Frans Ferdinand

8.

Wat vormde de basis voor de taalfilosofie van Ludwig Wittgenstein (1889-1951)?

a)

Met taal is men niet altijd in staat exacte en ondubbelzinnige uitspraken te doen.

b)

Taal is volkomen logisch en je kunt er alle mee uitdrukken.

c)

Met taal kan men geen exacte uitspraken doen over de zintuiglijk ervaarbare werkelijkheid en dat geeft ook niet.

d)

De filosofie moet vanwege de ontoereikendheid van de taal gebruikmaken van inzichten uit de kunsten.

9.

Wat houdt het oedipuscomplex, in de beschrijving van Freud, in?

a)

Verdriet om de moeder; moederfiguur als representant van het realiteitsprincipe

b)

Het verschijnsel dat jongens de vaderfiguur als concurrent en tegenstander zien, terwijl de moederfiguur geïdealiseerd en vereerd wordt.

c)

De verdrongen verlangens maken geen deel meer uit van de bewuste gedachten, maar worden als het ware in het onbewuste bewaard.

d)

Het kleine kind moet leren dat driften en impulsen niet direct bevredigd kunnen worden.

10.

Welke kunstvorm was volgens Walter Benjamin meer dan de andere typerend voor de moderne tijd?

a)

fotografie

b)

film

c)

schilderkunst

d)

poëzie

11.

Wat zorgde voor een helemaal andere wijze van waarnemen en beleven van een modernistisch kunstwerk vergeleken met een traditioneel werk?

a)

met puntjes een afbeelding opbouwen

b)

schilderen volgens de realistische werkelijkheidsillusie vanuit één centraal perspectief

c)

de techniek van de montage zoals in de film

d)

verhalende, verwijzende inhoud: de weergave van Bijbelse, historische of mythologische verhalen