wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Spelling thema 3 groep 6

Total questions: 60

Worksheet time: 2hrs 0mins

Name
Class
Date
1.

Welk woord is goed geschreven?

a)

proces

b)

proses

c)

prozes

2.

Welk woord is goed geschreven?

a)

spion

b)

spieon

3.

Welke letter moet er op de lege plek?

..ement

a)

s

b)

c

4.

Welke letter moet er op de lege plek?

kamp..oen

a)

i

b)

ie

5.

Welke letter moet er op de lege plek?

..ampioen

a)

k

b)

c

6.

Welke letter moet er op de lege plek?

..entimeter

a)

s

b)

c

7.

Welke letter moet er op de lege plek?

cir..el

a)

k

b)

c

8.

c of s (schrijf het hele woord op).

Waarom kijk je zo ..ip?

(a)  

9.

c of s (schrijf het hele woord op).

Ik vind de trui met de o..eaan het mooist

(a)  

10.

c of s (schrijf het hele woord op).

Maar de mouwen zijn een ..entimeter te kort.

(a)  

11.

c of s (schrijf het hele woord op).

Die trui met de ..ikkel van de maan is toch ook mooi?

(a)  

12.

c of s (schrijf het hele woord op).

Die past pre..ies. Hij is alleen peperduur.

(a)  

13.

c of s (schrijf het hele woord op).

Dan vraag je hem aan ..interklaas

(a)  

14.

Een werkje waar je een tijdje mee bezig bent

a)

project

b)

dictee

c)

product

15.

frisdrank

a)

cola

b)

clown

c)

direct

16.

c of k (schrijf het hele woord op).

Kom mee! Ze maken foto's voor een bekend ..ledingmerk

(a)  

17.

c of k (schrijf het hele woord op).

Kijk, het fotomodel staat op een viadu..t

(a)  

18.

c of k (schrijf het hele woord op).

Ze heeft een gevle..te jurk aan.

(a)  

19.

c of k (schrijf het hele woord op).

De man met de ..amera is een beroemde fotograaf.

(a)  

20.

c of k (schrijf het hele woord op).

Hij maakt elke se..onde een nieuw plaatje

(a)  

21.

c of k (schrijf het hele woord op).

Binnenkort gebruiken ze deze foto's in de re..lame.

(a)  

22.

Welk woord is goed geschreven?

a)

praktijk

b)

practijk

23.

Welk woord is goed geschreven?

a)

directeur

b)

direkteur

24.

Welk woord is goed geschreven?

a)

producten

b)

produkten

25.

-ig, -eg of -ug? Schrijf het hele woord op.

Nou, denk je, gezell.. samen nieuwe kleren kopen

(a)  

26.

-ig, -eg of -ug? Schrijf het hele woord op.

Daar denkt mijn broertje toevall.. heel anders over.

(a)  

27.

-ig, -eg of -ug? Schrijf het hele woord op.

Poeh, wat is hij ongeduld..

(a)  

28.

-ig, -eg of -ug? Schrijf het hele woord op.

Alles moet vliegensvl..

(a)  

29.

-ig, -eg of -ug? Schrijf het hele woord op.

Hij heeft er duidelijk geen aanl.. voor.

(a)  

30.

-ig, -eg of -ug? Schrijf het hele woord op.

De bermuda die ik pas, vindt hij te opzicht..

(a)  

31.

-ig, -eg of -ug? Schrijf het hele woord op.

En de spencer die hij neemt, vind ik merkwaard..

(a)  

32.

Bedenk een woord dat ongeveer hetzelfde betekent als het groene woord. Het woord tussen haakjes helpt je.


Opa is een serieuze man. (ernst)

(a)  

33.

Bedenk een woord dat ongeveer hetzelfde betekent als het groene woord. Het woord tussen haakjes helpt je.


Kleren kopen vind ik een zinvolle bezigheid. (nut)

(a)  

34.

Bedenk een woord dat ongeveer hetzelfde betekent als het groene woord. Het woord tussen haakjes helpt je.


Jouw vader maakt een heel jonge indruk. (jeugd)

(a)  

35.

Bedenk een woord dat ongeveer hetzelfde betekent als het groene woord. Het woord tussen haakjes helpt je.


Dit is een simpele opdracht. (eenvoud)

(a)  

36.

Kijk naar het groene woord. Maak er een woord met -lijk van.


Ik moet vaak lachen om (man) modellen.

(a)  

37.

Kijk naar het groene woord. Maak er een woord met -lijk van.


Deze heeft een (vrees) bermuda aan.

(a)  

38.

Kijk naar het groene woord. Maak er een woord met -lijk van.


Mijn grote zus vindt dat wel (aantrekken).

(a)  

39.

Kijk naar het groene woord. Maak er een woord met -lijk van.


Zij kijkt alleen naar het (uit) van zo'n rolmodel.

(a)  

40.

Kijk naar het groene woord. Maak er een woord met -lijk van.


Ik vind het een (behoren) afknapper.

(a)  

41.

Kruis het juiste woord aan

a)

woningkje

b)

woninkje

c)

woningje

42.

Kruis het juiste woord aan.

a)

schuttingkje

b)

schuttinkje

c)

schuttingje

43.

Schrijf het verkleinwoord op van:

haard

(a)  

44.

Schrijf het verkleinwoord op van:

brood

(a)  

45.

Schrijf het verkleinwoord op van:

beest

(a)  

46.

Schrijf het verkleinwoord op van:

leuning

(a)  

47.

Schrijf het verkleinwoord op van:

ketting

(a)  

48.

Schrijf het verkleinwoord op van:

armband

(a)  

49.

Schrijf het verkleinwoord op van:

hond

(a)  

50.

Schrijf het verkleinwoord op van:

eend

(a)  

51.

Schrijf het verkleinwoord op van:

spel

(a)  

52.

Schrijf het verkleinwoord op van:

stem

(a)  

53.

Schrijf het verkleinwoord op van:

zon

(a)  

54.

Schrijf het verkleinwoord op van:

kip

(a)  

55.

Schrijf het verkleinwoord op van:

snor

(a)  

56.

De mier is een interessant ...

a)

insect

b)

insekt

57.

Ik vind het paard een .. dier

a)

nutig

b)

nuttig

58.

Jij bent niet zo .. op Whatsapp

a)

aktief

b)

actief

59.

Iel ik zie daar een heel klein ..

a)

spinetje

b)

spinnetje

60.

Het is niet moeilijk maar ..

a)

makelijk

b)

makkelijk