Font size
Worksheets3L Kerst H1,2,3 2BKGT
Total questions: 66
Worksheet time: 28mins
Door het woord maar weet je dat hier een tekstverband bestaat.
Welk soort?
Opsomming
Tegenstelling
Van lichtprojecties, vuurpijlen en steekvlammen tot een spectaculaire wateract van Davina Michelle en Thekla Reuten.
Signaalwoord en wijst hier op welk tekstverband?
Oorzaak en gevolg
Tegenstelling
Opsomming
Tegenover deze zwakke optredens stonden sterke performances van onder anderen Malta, Cyprus, Litouwen en publieks-guilty pleasure Azerbeidzjan.
Wat doet signaalwoord tegenover hier?
Aangeven dat er een tekstbestand bestaat, namelijk: tegenstelling
Aangeven dat er een tekstbestand bestaat, namelijk: opsomming
Welk tekstverband geeft het gekleurde woord aan?
Mijn tante houdt niet van winkelen, maar mijn moeder vindt het heel erg leuk.
tijd
reden
tegenstelling
opsomming
Welk tekstverband geeft het gekleurde woord aan?
Mijn oom is heel erg avontuurlijk. Mijn tante daarentegen is helemaal niet avontuurlijk en wil niet graag nieuwe dingen beleven.
opsomming
volgorde
voorbeeld
tegenstelling
Welk tekstverband geven de gekleurde woorden aan?
Mijn moeder wil groenten en fruit kopen. Verder brood en daarnaast wat broodbeleg en tot slot een paar toetjes.
tijd
opsomming
voorbeeld
reden
Welk tekstverband geven de gekleurde woorden aan?
Ten eerste vind ik het heel erg leuk om naar school te gaan en ten tweede leer ik er veel van.
voorbeeld
tijd
reden
opsomming
Welk signaalwoord hoort er bij het tekstverband opsomming?
ook
eerst
maar
doordat
Welk signaalwoord hoort er bij het tekstverband tegenstelling?
maar
dan
tevens
als
Waar de tekst over gaat is:
de hoofdgedachte
het thema
het onderwerp
de titel
Welk tekstverband geven de gekleurde woorden aan?
Eerst deed ik mijn pyjama aan en vervolgens poetste ik mijn tanden. Daarna stapte ik in bed en uiteindelijk viel ik weer in slaap.
reden
tegenstelling
tijd
voorbeeld
Bijzaken zijn minder belangrijke tekstfragmenten.
Juist
Onjuist
Het voorvoegsel 'her' betekent
niet
zonder
opnieuw
slecht
Herbouwen betekent dus
(a)
Het voorvoegsel 'non' betekent:
niet meer, van vroeger
slecht
verkeerd, fout
niet, zonder
Het voorvoegsel 'wan' betekent:
(denk aan wandaad)
niet meer, van vroeger
tussen
slecht , verkeerd
niet, zonder
Het voorvoegsel 'on' betekent:
niet meer, van vroeger
slecht
verkeerd, fout
niet, zonder
echter, daarentegen, maar en hoewel zijn signaalwoorden voor een tegenstelling
juist
onjuist
Welk woord heeft een voorvoegsel?
onverstaanbaar
wetenschappelijk
verstaanbaar
schoonheid
Welke twee voorvoegsels betekenen ongeveer hetzelfde?
wan- en ex-
anti- en inter-
mis- en wan-
on- en her-
wat betekent hypermodern?
(a)
Wie gooide dat lege blikje? Welk woordsoort is 'gooide'?
lidwoord
bijvoeglijk naamwoord
zelfstandig naamwoord
werkwoord
Wie gooide dat lege blikje? Welk woordsoort is 'lege'?
lidwoord
bijvoeglijk naamwoord
zelfstandig naamwoord
werkwoord
Wie gooide dat lege blikje? Welk woordsoort is 'blikje'?
lidwoord
bijvoeglijk naamwoord
zelfstandig naamwoord
werkwoord
Wat kostte die blauwe scooter? Welk woordsoort is 'kostte'?
lidwoord
bijvoeglijk naamwoord
zelfstandig naamwoord
werkwoord
Wat kostte die blauwe scooter? Welk woordsoort is 'blauwe'?
lidwoord
bijvoeglijk naamwoord
zelfstandig naamwoord
werkwoord
Wat kostte die blauwe scooter? Welk woordsoort is 'scooter'?
lidwoord
bijvoeglijk naamwoord
zelfstandig naamwoord
werkwoord
Waarom moet de leeuw in bad? Welk woordsoort is 'de'?
lidwoord
bijvoeglijk naamwoord
zelfstandig naamwoord
werkwoord
Waarom moet de leeuw in bad? Welk woordsoort is 'leeuw'?
lidwoord
bijvoeglijk naamwoord
zelfstandig naamwoord
werkwoord
Waarom moet de leeuw in bad? Welk woordsoort is 'moet'?
lidwoord
bijvoeglijk naamwoord
zelfstandig naamwoord
werkwoord
Waar blijven de verbaasde tegenstanders? Welk woordsoort is 'blijven'?
lidwoord
bijvoeglijk naamwoord
zelfstandig naamwoord
werkwoord
Waar blijven de verbaasde tegenstanders? Welk woordsoort is 'tegenstanders'?
lidwoord
bijvoeglijk naamwoord
zelfstandig naamwoord
werkwoord
Waar blijven de verbaasde tegenstanders? Welk woordsoort is 'de'?
lidwoord
bijvoeglijk naamwoord
zelfstandig naamwoord
werkwoord
Vul het juiste verwijswoord in.
Waar heb je het zakje snoep neergelegd, die / dat Dex gisteren heeft gekocht?
die
dat
Kies het juiste verwijswoord.
Onze boot is gerepareerd. Morgen brengen we het / hem naar de haven.
het
hem
Kies het juiste verwijswoord.
De zonnebril van Els is kapot, want Johan heeft hem / ze per ongeluk laten vallen.
hem
ze
Kies het juiste verwijswoord.
Tim heeft de jas van Noortje meegenomen. Deze / Dit moet hij straks aan hem / haar teruggeven.
Deze, hem
Deze, haar
Dit, hem
Dit, haar
Kies het juiste verwijswoord.
De spelers moeten terugkomen op hun / zijn besluit om uit deze / dit team te stappen.
hun, deze
hun, dit
zijn, deze
zijn, dit
Kies het juiste verwijswoord.
De koffiekopjes staan nog op dit / deze tafeltje. Wil jij hem / ze even opruimen?
dit, hem
deze, hem
dit, ze
deze, ze
Kies het juiste verwijswoord.
De koffiekopjes staan nog op dit / deze tafeltje. Wil jij hem / ze even opruimen?
dit, hem
deze, hem
dit, ze
deze, ze
Kies het juiste verwijswoord.
Het paard die / dat op stal staat, is van mijn tante. Hij / Het heeft al aan veel wedstrijden meegedaan.
die, Hij
dat, Hij
die, Het
dat, Het
Kies het juiste verwijswoord.
Het meisje dat / die daar loopt, zit bij mij in de klas. Hij / Zij kan goed voetballen.
dat, Hij
die, Hij
dat, Zij
die, Zij
Vul het juiste verwijswoord in.
Waar heb je de zak snoep neergelegd, die / dat Dex gisteren heeft gekocht?
die
dat
Noteer het voltooid deelwoord.
In Nederland wordt vaker ........(pinnen).
gepint
gepind
Gisteren heb ik de deur om tien uur.......(sluiten).
gesluit
gesluiten
gesloot
gesloten
Ik was ............(raken) door die opmerking over mijn overleden hondje.
geraakt
gerakt
geraken
geraakd
Tijdens de wedstrijd werd de handdoek in de ring .....(werpen).
gewerpt
gewerpen
geworpen
geworpt
De docent had alle fouten .......(doorstrepen).
gedoorstreept
doorgestrepen
doorgestreept
Heb je de kratjes ..........(opstapelen)?
geopstapeld
opgestapeld
opgestapelt
geopstapelt
Heb je haar een kaartje.......(sturen)?
gestuurt
gestuurd
De stallen worden binnenkort ....... (slopen).
gesloopt
gesloopd
Op het feest heeft hij met haar ......(dansen).
gedanst
gedansd
Yasmine heeft zijn haar blauw ........(verven).
gevervd
gevervt
geverfd
geverft
Maud heeft dit weekend goed ........(voetballen).
gevoetbalt
gevoetbald
voetgebald
voetgebalt
Vorige week heb ik met mijn oma in 's-Hertogenbosch ......(lunchen).
geluncht
gelunchet
gelunched
gelunchd
Is het onderstreepte woord een voltooid deelwoord?
Het gebeurt tijdens iedere les.
Nee, gebeurt is hier een persoonsvorm. Je kunt er namelijk 'het gebeurde' van maken. En de persoonsvorm is het werkwoord dat verandert als je de zin in een andere tijd zet.
Ja, want er staat het voorvoegsel 'ge' voor en dan is het werkwoord altijd een voltooid deelwoord.
Is het onderstreepte woord een voltooid deelwoord of een persoonsvorm?
De N279 is een aantal jaren geleden verbreed.
voltooid deelwoord
persoonsvorm
Is het onderstreepte woord een persoonsvorm of een voltooid deelwoord?
Jasmijn herkanst morgen haar toets van Nederlands.
persoonsvorm
voltooid deelwoord
Maak de zin af. De persoonsvorm is altijd...
een woord
een werkwoord
een persoon
een zelfstandig naamwoord
De persoonsvorm heeft een soort relatie met...
een lidwoord
Anja
een zelfstandig naamwoord
het onderwerp
Maak de zin af: Als het onderwerp enkelvoud is,
dan is de persoonsvorm ook enkelvoud
dan is de persoonsvorm meervoud
De persoonsvorm vind je via de vraagproef. Wat is dat?
Maak de zin vragend en kies dan het eerste woord.
Maak de zin vragend en kies dan de eerste persoon.
Maak de zin vragend en kies dan het eerste werkwoord.
