wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

3L Kerst H1,2,3 2BKGT

Total questions: 66

Worksheet time: 28mins

Name
Class
Date
1.

Door het woord maar weet je dat hier een tekstverband bestaat.


Welk soort?

a)

Opsomming

b)

Tegenstelling

2.

Van lichtprojecties, vuurpijlen en steekvlammen tot een spectaculaire wateract van Davina Michelle en Thekla Reuten.

Signaalwoord en wijst hier op welk tekstverband?

a)

Oorzaak en gevolg

b)

Tegenstelling

c)

Opsomming

3.

Tegenover deze zwakke optredens stonden sterke performances van onder anderen Malta, Cyprus, Litouwen en publieks-guilty pleasure Azerbeidzjan.


Wat doet signaalwoord tegenover hier?

a)

Aangeven dat er een tekstbestand bestaat, namelijk: tegenstelling

b)

Aangeven dat er een tekstbestand bestaat, namelijk: opsomming

4.

Welk tekstverband geeft het gekleurde woord aan?

Mijn tante houdt niet van winkelen, maar mijn moeder vindt het heel erg leuk.

a)

tijd

b)

reden

c)

tegenstelling

d)

opsomming

5.

Welk tekstverband geeft het gekleurde woord aan?


Mijn oom is heel erg avontuurlijk. Mijn tante daarentegen is helemaal niet avontuurlijk en wil niet graag nieuwe dingen beleven.

a)

opsomming

b)

volgorde

c)

voorbeeld

d)

tegenstelling

6.

Welk tekstverband geven de gekleurde woorden aan?


Mijn moeder wil groenten en fruit kopen. Verder brood en daarnaast wat broodbeleg en tot slot een paar toetjes.

a)

tijd

b)

opsomming

c)

voorbeeld

d)

reden

7.

Welk tekstverband geven de gekleurde woorden aan?


Ten eerste vind ik het heel erg leuk om naar school te gaan en ten tweede leer ik er veel van.

a)

voorbeeld

b)

tijd

c)

reden

d)

opsomming

8.

Welk signaalwoord hoort er bij het tekstverband opsomming?

a)

ook

b)

eerst

c)

maar

d)

doordat

9.

Welk signaalwoord hoort er bij het tekstverband tegenstelling?

a)

maar

b)

dan

c)

tevens

d)

als

10.
Deelonderwerpen zijn hetzelfde als tussenkopjes
a)
Onjuist
b)
Juist 
11.
De titel is het onderwerp van een tekst
a)
Juist
b)
Onjuist
12.
Hoofdzaken zijn ... 
a)
Erg belangrijk 
b)
Niet zo belangrijk om een tekst te begrijpen
13.

Waar de tekst over gaat is:

a)

de hoofdgedachte

b)

het thema

c)

het onderwerp

d)

de titel

14.

Welk tekstverband geven de gekleurde woorden aan?


Eerst deed ik mijn pyjama aan en vervolgens poetste ik mijn tanden. Daarna stapte ik in bed en uiteindelijk viel ik weer in slaap.

a)

reden

b)

tegenstelling

c)

tijd

d)

voorbeeld

15.
Hoofdzaken staan ... 
a)
In het midden van een alinea
b)
Vaak aan het begin of eind v.d. alinea
16.

Bijzaken zijn minder belangrijke tekstfragmenten.

a)

Juist

b)

Onjuist

17.

Het voorvoegsel 'her' betekent

a)

niet

b)

zonder

c)

opnieuw

d)

slecht

18.

Herbouwen betekent dus

(a)  

19.

Het voorvoegsel 'non' betekent:

a)

niet meer, van vroeger

b)

slecht

c)

verkeerd, fout

d)

niet, zonder

20.

Het voorvoegsel 'wan' betekent:


(denk aan wandaad)

a)

niet meer, van vroeger

b)

tussen

c)

slecht , verkeerd

d)

niet, zonder

21.

Het voorvoegsel 'on' betekent:

a)

niet meer, van vroeger

b)

slecht

c)

verkeerd, fout

d)

niet, zonder

22.

echter, daarentegen, maar en hoewel zijn signaalwoorden voor een tegenstelling

a)

juist

b)

onjuist

23.

Welk woord heeft een voorvoegsel?

a)

onverstaanbaar

b)

wetenschappelijk

c)

verstaanbaar

d)

schoonheid

24.

Welke twee voorvoegsels betekenen ongeveer hetzelfde?

a)

wan- en ex-

b)

anti- en inter-

c)

mis- en wan-

d)

on- en her-

25.

wat betekent hypermodern?

(a)  

26.

Wie gooide dat lege blikje? Welk woordsoort is 'gooide'?

a)

lidwoord

b)

bijvoeglijk naamwoord

c)

zelfstandig naamwoord

d)

werkwoord

27.

Wie gooide dat lege blikje? Welk woordsoort is 'lege'?

a)

lidwoord

b)

bijvoeglijk naamwoord

c)

zelfstandig naamwoord

d)

werkwoord

28.

Wie gooide dat lege blikje? Welk woordsoort is 'blikje'?

a)

lidwoord

b)

bijvoeglijk naamwoord

c)

zelfstandig naamwoord

d)

werkwoord

29.

Wat kostte die blauwe scooter? Welk woordsoort is 'kostte'?

a)

lidwoord

b)

bijvoeglijk naamwoord

c)

zelfstandig naamwoord

d)

werkwoord

30.

Wat kostte die blauwe scooter? Welk woordsoort is 'blauwe'?

a)

lidwoord

b)

bijvoeglijk naamwoord

c)

zelfstandig naamwoord

d)

werkwoord

31.

Wat kostte die blauwe scooter? Welk woordsoort is 'scooter'?

a)

lidwoord

b)

bijvoeglijk naamwoord

c)

zelfstandig naamwoord

d)

werkwoord

32.

Waarom moet de leeuw in bad? Welk woordsoort is 'de'?

a)

lidwoord

b)

bijvoeglijk naamwoord

c)

zelfstandig naamwoord

d)

werkwoord

33.

Waarom moet de leeuw in bad? Welk woordsoort is 'leeuw'?

a)

lidwoord

b)

bijvoeglijk naamwoord

c)

zelfstandig naamwoord

d)

werkwoord

34.

Waarom moet de leeuw in bad? Welk woordsoort is 'moet'?

a)

lidwoord

b)

bijvoeglijk naamwoord

c)

zelfstandig naamwoord

d)

werkwoord

35.

Waar blijven de verbaasde tegenstanders? Welk woordsoort is 'blijven'?

a)

lidwoord

b)

bijvoeglijk naamwoord

c)

zelfstandig naamwoord

d)

werkwoord

36.

Waar blijven de verbaasde tegenstanders? Welk woordsoort is 'tegenstanders'?

a)

lidwoord

b)

bijvoeglijk naamwoord

c)

zelfstandig naamwoord

d)

werkwoord

37.

Waar blijven de verbaasde tegenstanders? Welk woordsoort is 'de'?

a)

lidwoord

b)

bijvoeglijk naamwoord

c)

zelfstandig naamwoord

d)

werkwoord

38.

Vul het juiste verwijswoord in.

Waar heb je het zakje snoep neergelegd, die / dat Dex gisteren heeft gekocht?

a)

die

b)

dat

39.

Kies het juiste verwijswoord.

Onze boot is gerepareerd. Morgen brengen we het / hem naar de haven.

a)

het

b)

hem

40.

Kies het juiste verwijswoord.

De zonnebril van Els is kapot, want Johan heeft hem / ze per ongeluk laten vallen.

a)

hem

b)

ze

41.

Kies het juiste verwijswoord.

Tim heeft de jas van Noortje meegenomen. Deze / Dit moet hij straks aan hem / haar teruggeven.

a)

Deze, hem

b)

Deze, haar

c)

Dit, hem

d)

Dit, haar

42.

Kies het juiste verwijswoord.

De spelers moeten terugkomen op hun / zijn besluit om uit deze / dit team te stappen.

a)

hun, deze

b)

hun, dit

c)

zijn, deze

d)

zijn, dit

43.

Kies het juiste verwijswoord.

De koffiekopjes staan nog op dit / deze tafeltje. Wil jij hem / ze even opruimen?

a)

dit, hem

b)

deze, hem

c)

dit, ze

d)

deze, ze

44.

Kies het juiste verwijswoord.

De koffiekopjes staan nog op dit / deze tafeltje. Wil jij hem / ze even opruimen?

a)

dit, hem

b)

deze, hem

c)

dit, ze

d)

deze, ze

45.

Kies het juiste verwijswoord.

Het paard die / dat op stal staat, is van mijn tante. Hij / Het heeft al aan veel wedstrijden meegedaan.

a)

die, Hij

b)

dat, Hij

c)

die, Het

d)

dat, Het

46.

Kies het juiste verwijswoord.

Het meisje dat / die daar loopt, zit bij mij in de klas. Hij / Zij kan goed voetballen.

a)

dat, Hij

b)

die, Hij

c)

dat, Zij

d)

die, Zij

47.

Vul het juiste verwijswoord in.

Waar heb je de zak snoep neergelegd, die / dat Dex gisteren heeft gekocht?

a)

die

b)

dat

48.

Noteer het voltooid deelwoord.

In Nederland wordt vaker ........(pinnen).

a)

gepint

b)

gepind

49.

Gisteren heb ik de deur om tien uur.......(sluiten).

a)

gesluit

b)

gesluiten

c)

gesloot

d)

gesloten

50.

Ik was ............(raken) door die opmerking over mijn overleden hondje.

a)

geraakt

b)

gerakt

c)

geraken

d)

geraakd

51.

Tijdens de wedstrijd werd de handdoek in de ring .....(werpen).

a)

gewerpt

b)

gewerpen

c)

geworpen

d)

geworpt

52.

De docent had alle fouten .......(doorstrepen).

a)

gedoorstreept

b)

doorgestrepen

c)

doorgestreept

53.

Heb je de kratjes ..........(opstapelen)?

a)

geopstapeld

b)

opgestapeld

c)

opgestapelt

d)

geopstapelt

54.

Heb je haar een kaartje.......(sturen)?

a)

gestuurt

b)

gestuurd

55.

De stallen worden binnenkort ....... (slopen).

a)

gesloopt

b)

gesloopd

56.

Op het feest heeft hij met haar ......(dansen).

a)

gedanst

b)

gedansd

57.

Yasmine heeft zijn haar blauw ........(verven).

a)

gevervd

b)

gevervt

c)

geverfd

d)

geverft

58.

Maud heeft dit weekend goed ........(voetballen).

a)

gevoetbalt

b)

gevoetbald

c)

voetgebald

d)

voetgebalt

59.

Vorige week heb ik met mijn oma in 's-Hertogenbosch ......(lunchen).

a)

geluncht

b)

gelunchet

c)

gelunched

d)

gelunchd

60.

Is het onderstreepte woord een voltooid deelwoord?

Het gebeurt tijdens iedere les.

a)

Nee, gebeurt is hier een persoonsvorm. Je kunt er namelijk 'het gebeurde' van maken. En de persoonsvorm is het werkwoord dat verandert als je de zin in een andere tijd zet.

b)

Ja, want er staat het voorvoegsel 'ge' voor en dan is het werkwoord altijd een voltooid deelwoord.

61.

Is het onderstreepte woord een voltooid deelwoord of een persoonsvorm?

De N279 is een aantal jaren geleden verbreed.

a)

voltooid deelwoord

b)

persoonsvorm

62.

Is het onderstreepte woord een persoonsvorm of een voltooid deelwoord?

Jasmijn herkanst morgen haar toets van Nederlands.

a)

persoonsvorm

b)

voltooid deelwoord

63.

Maak de zin af. De persoonsvorm is altijd...

a)

een woord

b)

een werkwoord

c)

een persoon

d)

een zelfstandig naamwoord

64.

De persoonsvorm heeft een soort relatie met...

a)

een lidwoord

b)

Anja

c)

een zelfstandig naamwoord

d)

het onderwerp

65.

Maak de zin af: Als het onderwerp enkelvoud is,

a)

dan is de persoonsvorm ook enkelvoud

b)

dan is de persoonsvorm meervoud

66.

De persoonsvorm vind je via de vraagproef. Wat is dat?

a)

Maak de zin vragend en kies dan het eerste woord.

b)

Maak de zin vragend en kies dan de eerste persoon.

c)

Maak de zin vragend en kies dan het eerste werkwoord.