wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

instroom werkwoorden tegenwoordigtijd

Total questions: 76

Worksheet time: 48mins

Name
Class
Date
1.

Wat is het werkwoord ?

Ik eet graag appels.

a)

Ik

b)

eet

c)

graag

d)

appels

2.

Wat is het werkwoord?

Peter speelt met de bal.

a)

Peter

b)

speelt

c)

met de bal

3.

Wat is het werkwoord ?

In het pretpark zit ik het liefst in de draaimolen.

a)

In het pretpark

b)

zit

c)

ik

d)

het liefst

e)

in de draaimolen

4.

Wat is het werkwoord?

De brandweerman blust de branden.

a)

De brandweerman

b)

blust

c)

de

d)

branden

5.

Wat is het werkwoord ?

De poezen verstoppen zich in de tas.

a)

De poezen

b)

verstoppen

c)

zich

d)

in de tas

6.

Wat is het werkwoord ?

Gisteren ging ik met een vriendin naar een feest.

a)

Gisteren

b)

ging

c)

ik

d)

met een vriendin

e)

naar een feest

7.

Wat is het werkwoord ?

Het eerste elftal behaalde zijn derde overwinning op rij.

a)

Het eerste elftal

b)

behaalde

c)

zijn derde overwinning

d)

op rij

8.

Wat is het werkwoord ?

Janne en Sam spelen met de springtouw op de speelplaats.

a)

Janne en Sam

b)

spelen

c)

met de springtouw

d)

op de speelplaats

9.

Wat is het werkwoord ?

Het orkest oefent elke dinsdag voor het concert.

a)

Het orkest

b)

oefent

c)

elke dinsdag

d)

voor het concert

10.

Wat is het werkwoord ?

De kinderen gaan vandaag naar Walibi.

a)

De kinderen

b)

gaan

c)

vandaag

d)

naar Walibi

11.
Jij... de afwas.
a)
doet
b)
doen
12.
Ik ... met de bal.
a)
speel
b)
speelt
13.
Kaat en Lien ... in het boek.
a)
schrijven
b)
schrijft
14.
Wij ... naar de film.
a)
gaan
b)
ga
15.
Ik ... naar huis.
a)
wandel
b)
wandelt
16.
Boris ... graag.
a)
zwemt
b)
zwemmen
17.
Jij... lekkere koekjes.
a)
bakt
b)
bak
18.
Ik ... de vraag langzaam.
a)
herhaal
b)
herhaalt
19.
Rachida ... de fiets.
a)
repareert
b)
repareer
20.
Ik ... mijn familie elke week.
a)
bezoek
b)
bezoekt
21.

Wat is klimmen?

a)
b)
c)
d)
22.

Wat is wandelen?

a)
b)
c)
d)
23.

Wat is praten?

a)
b)
c)
d)
24.

Wat is schilderen?

a)
b)
c)
d)
25.

Wat is geven?

a)
b)
c)
d)
26.

Wat is snijden?

a)
b)
c)
d)
27.

Wat is dragen?

a)
b)
c)
d)
28.

Wat is tellen?

a)
b)
c)
d)
29.

Wat is dit?

a)

huilen

b)

zwaaien

c)

blazen

d)

hoesten

30.

Wat is dit?

a)

fietsen

b)

stappen

c)

rijden

d)

lijmen

31.

Wat is dit?

a)

lijmen

b)

knippen

c)

omcirkelen

d)

schilderen

32.

Wat is dit?

a)

kammen

b)

klimmen

c)

dragen

d)

kijken

33.

Wat is dit?

a)

aankruisen

b)

omcirkelen

c)

onderstrepen

d)

verbinden

34.

Wat is dit?

a)

springen

b)

wachten

c)

zingen

d)

ruiken

35.

Wat is dit?

a)

salpen

b)

slapen

c)

slaapen

d)

slappen

36.

Wat is dit?

a)

kijken

b)

kjiken

c)

kijeken

d)

kikjen

37.

Wat is dit?

a)

zwemmen

b)

zemmen

c)

zewwen

d)

zwemen

38.

Wat is dit?

a)

zingen

b)

zangen

c)

zignen

d)

zagnen

39.

Wat is dit?

a)

spellen

b)

speelen

c)

spelen

d)

speellen

40.

Wat is dit?

a)

drinken

b)

dinken

c)

driknen

d)

driinken

41.

Ik .......... de zin niet.

a)

begrijp

b)

begrijpt

c)

begrijpen

42.

Jij ........... niet goed.

a)

luister

b)

luistert

c)

luisteren

43.

U ......... het woord goed.

a)

typ

b)

typt

c)

typen

44.

Hij .......... naar de docent.

a)

luister

b)

luistert

c)

luisteren

45.

Paula.......... graag wijn.

a)

drink

b)

drinkt

c)

drinken

46.

Jos en Paul ........ het niet.

a)

begrijp

b)

begrijpt

c)

begrijpen

47.

Jullie. ......... veel koffie!

a)

drink

b)

drinkt

c)

drinken

48.

Paula en Jos ......... het antwoord.

a)

typ

b)

typt

c)

typen

49.

Paula ......... naar het station.

a)

fiets

b)

fietst

c)

fietsen

50.

Paul en Paula ....... samen.

a)

fiets

b)

fietst

c)

fietsen

51.

........... jij paella?

a)

Kook

b)

Kookt

c)

Koken

52.

Paul en Paula ...... naar een film.

a)

kijk

b)

kijkt

c)

kijken

53.

Jos ........ om Paula.

a)

lach

b)

lacht

c)

lachen

54.

Paul en Jos ........ naar het café.

a)

loop

b)

loopt

c)

lopen

55.

Fleur en Jitte _________ over het nieuwe spel

a)

fluisteren

b)

fluistert

c)

fluisterde

56.

_____ je gisteren dan wel buiten?

a)

stond

b)

Staat

c)

Stont

d)

Stond

57.

kies het juiste persoonlijk voornaamwoord die past bij de tekening.

a)

jij

b)

ik

c)

jullie

58.

kies het juiste persoonlijk voornaamwoord die past bij de tekening.

a)

jij

b)

ik

c)

jullie

59.

kies het juiste persoonlijk voornaamwoord die past bij de tekening.

a)

jij

b)

zij

c)

het

60.

Wie?

Zij heeft honger.

a)

een meisje

b)

meer mensen

61.

Wie?

Zij hebben dorst.

a)

een meisje

b)

meer mensen

62.

Wie?

Zij loopt naar huis.

a)

een meisje

b)

meer mensen

63.

Wie?

Zij lopen naar de bakker.

a)

een meisje

b)

meer mensen

64.

Vul in:

Dit is een jongen. ...... heet Karim.

a)

Hij

b)

Zij

65.

Vul in:

Dit is een meisje. ...... heet Aisha.

a)

Hij

b)

Zij

66.

Vul in:

Dit is een man. ...... heet Ahmed.

a)

Hij

b)

Zij

67.

Vul in:

Dit is een vrouw. ...... heet Anna.

a)

Hij

b)

Zij

68.

Vul in:

Karim gaat naar school. ..... gaat naar school.

a)

Hij

b)

Zij

69.

Vul in:

Ahmed leest een boek. .... leest een boek.

a)

Hij

b)

Zij

70.

Vul in:

Anna is lerares. .... is lerares.

a)

Hij

b)

Zij

71.

Wat is goed?

Aisha gaat naar school.

a)

Hij

b)

Zij

72.

Wat is goed?

Anna is getrouwd met Karim.

a)

Hij

b)

Zij

73.

Welke persoon?

Dit zijn een jongen en een meisje.

(a)   heten Karim & Aisha.

74.

Welke persoon?

Dat zijn een man en een vrouw.

(a)   heten Ahmed & Anna.

75.

Noteer het juiste persoonlijk voornaamwoord die past bij de tekening.

(a)  

76.

Noteer het juiste persoonlijk voornaamwoord die past bij de tekening.

(a)