wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Nederlands grammatica redekundig

Total questions: 16

Worksheet time: 12mins

Name
Class
Date
1.

Afstanden, gewicht en maten kunnen nooit lijdend voorwerp zijn.

a)

Juist

b)

Onjuist

2.

De persoonsvorm is altijd ...

a)

Een werkwoord

b)

Een persoon

3.

Wat is het werkwoordelijk gezegde?

a)

De persoonsvorm van een zin

b)

Alle werkwoorden in een zin

c)

De persoonsvorm en onderwerp van een zin

4.

Het onderwerp en de persoonsvorm horen bij elkaar. Als de een in meervoud is, is de ander dat ook.

a)

Juist

b)

Onjuist

5.

Wat is de persoonsvorm van de volgende zin:

Zij wil straks de krant lezen.

a)

Zij

b)

wil

c)

de krant

d)

lezen

6.

Wat is de persoonsvorm van de volgende zin:

De stichting verhoogde de huur met vier procent.

a)

De stichting

b)

verhoogde

c)

de huur

d)

vier procent

7.

Wat is de persoonsvorm van de volgende zin:

Maartje gaat met Ine boodschappen doen.

a)

Maartje

b)

gaat

c)

Ine

d)

boodschappen

8.

Wat is het werkwoordelijk gezegde van de volgende zin:

Dat kind zit steeds te giechelen.

a)

Dat kind

b)

zit

c)

zit te giechelen

d)

giechelen

9.

Wat is het werkwoordelijk gezegde van de volgende zin:

De zeeverkenners hebben dit jaar weer meegedaan aan de zeilwedstrijd.

a)

De zeeverkenners

b)

hebben

c)

hebben meegedaan

d)

meegedaan

10.

Het werkwoordelijk gezegde bestaat altijd uit meerdere werkwoorden.

a)

Juist

b)

Onjuist

11.

Wat is het onderwerp van de volgende zin:

Het huis van de buren wordt mogen geverfd.

a)

Het huis

b)

Het huis van de buren

c)

wordt

d)

geverfd

12.

Wat is het onderwerp van de volgende zin:

Wim koopt vanmiddag een boek.

a)

Wim

b)

koopt

c)

een boek

d)

vanmiddag

13.

Wat is het lijdend voorwerp van de volgende zin:

Zij heeft hem een horloge gegeven.

a)

Zij

b)

heeft gegeven

c)

hem

d)

een horloge

14.

Wat is het lijdend voorwerp van de volgende zin:

Die vrachtauto versperde gister de weg.

a)

Die vrachtauto

b)

versperde

c)

gister

d)

de weg

15.

Is de volgende zin juist in zinsdelen verdeeld?

Wij / geven / een mooi cadeau.

a)

Ja

b)

Nee

16.

Is de volgende zin juist in zinsdelen verdeeld?

Na het / zesde uur / mogen / de / leerlingen / naar huis.

a)

Ja

b)

Nee