wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

HVG1 Hoofdstuk 3 "De Grieken"

Total questions: 34

Worksheet time: 17mins

Name
Class
Date
1.

Welke van de onderstaande afbeeldingen hoort bij het tijdvak waar we nu mee bezig zijn..........

a)
b)
c)
d)
2.

Op welke van onderstaande afbeeldingen vind je een typisch bouwwerk volgens de vormentaal van dit tijdvak?

a)
b)
c)
d)
3.

Wat was de reden dat het Oude Griekenland moeilijk als een eenheid te besturen was?

a)

Door de vele oorlogen met andere rijken in Europa.

b)

Door de vele bergen en zee die in dit gebied liggen.

c)

Doordat er meerdere koningen aan de macht waren.

d)

Omdat ze zich geen Grieken voelden.

4.

Griekenland bestond uit allemaal zogenaamde 'stadsstaten'. Wat is een andere naam voor stadsstaat?

a)

Polis

b)

Athene

c)

Paleis

d)

Kratus

5.

Kies het juiste antwoord. Een democratie is..........

a)

een bestuursvorm waarbij één iemand regeert.

b)

een bestuursvorm waarbij een kleine groep mensen regeert.

c)

een heel moderne bestuursvorm.

d)

een bestuursvorm waarbij het volk regeert.

6.

Veel mensen vinden dat de Atheense democratie geen echte democratie genoemd mag worden. Dit komt doordat........

a)

nog steeds 1 persoon alle beslissingen nam.

b)

omdat niet iedereen mee mocht stemmen.

c)

omdat er jaarlijks iemand weggestemd mocht worden.

d)

omdat de raad van 500 teveel macht had.

7.

Waarom werd het schervengericht ingevoerd?

a)

Zodat niet 1 persoon teveel macht kreeg.

b)

Zodat er eerlijk een nieuwe leider gekozen kon worden.

c)

Zodat als er ruzie ontstond tijdens de volksvergadering mensen niet elkaar te lijf gingen, maar slechts aardewerk kapot gooiden.

d)

Als een manier om mensen te straffen voor misdrijven.

8.

Ca. 750 v.C.: Waarom migreerden sommige Grieken naar andere gebieden?

a)

Er was te weinig grond beschikbaar voor landbouw.

b)

Ze waren het mediterrane klimaat beu.

c)

Ze wouden eens iets anders eten dan druiven en olijven.

d)

Ze wilden heel graag gaan handeldrijven met de opbrengsten van hun boeren.

9.
Welke zin hoort niet bij de Griekse cultuur? 
a)
Sportwedstrijden houden voor de goden.
b)
Tempels bouwen voor de goden
c)
De Olympische Spelen
d)
Maar één god aanbidden
10.

Bij een monarchie

a)

is 1 persoon de baas. Zijn positie is erfelijk.

b)

zijn meerdere personen samen de baas. Zij komen uit de rijkste families.

c)

is 1 persoon de baas. Hij heeft met geweld de macht gegrepen.

d)

is het hele volk de baas. Zij kiezen de bestuurders.

11.

Bij een aristocratie

a)

is 1 persoon de baas. Zijn positie is erfelijk.

b)

is het hele volk de baas. Zij kiezen de bestuurders.

c)

is 1 persoon de baas. Hij heeft met geweld de macht gegrepen.

d)

zijn meerdere personen de baas. Zij komen uit de rijkste families.

12.

Wie hadden in Athene burgerrecht?

a)

mannen

b)

mannen die in Athene zijn geboren

c)

mannen en vrouwen

d)

mannen en vrouwen die in Athene geboren zijn

13.

Bij een tirannie

a)

is het hele volk de baas. Zij kiezen de bestuurders.

b)

is 1 persoon de baas. Zijn positie is erfelijk.

c)

is 1 persoon de baas. Hij heeft met geweld de macht gegrepen.

d)

zijn meerdere personen de baas. Zij komen uit de rijkste families.

14.
Alles wat door een samenleving wordt gemaakt en bedacht, noem we een ...
a)
Religie
b)
Wetenschap
c)
Cultuur
d)
Filosofie
15.
Waarmee is Hippocrates bekend geworden?
a)
Met zijn filosofie
b)
Met zijn denkwijze dat mensen ziek werden als ze zichzelf slecht verzorgden
c)
Met zijn wiskundige theorieën
d)
Met zijn boek 'historia' waarin hij onpartijdig schreef over de geschiedenis
16.
Waarmee is Herodotus bekend geworden?
a)
Met zijn filosofie
b)
Met zijn denkwijze dat mensen ziek werden als ze zichzelf slecht verzorgden
c)
Met zijn wiskundige theorieën
d)
Met zijn boek 'historia' waarin hij onpartijdig schreef over de geschiedenis
17.
Waarmee is Socrates bekend geworden?
a)
Met zijn filosofie
b)
Met zijn denkwijze dat mensen ziek werden als ze zichzelf slecht verzorgden
c)
Met zijn wiskundige theorieën
d)
Met zijn boek 'historia' waarin hij onpartijdig schreef over de geschiedenis
18.
Het verzamelen van kennis door een verschijnsel nauwkeurig te bestuderen, is....
a)
Cultuur
b)
Wetenschap
c)
Filosofie
d)
Religie
19.
Het op zoek gaan naar wijsheid en kennis in de wereld om de mens beter te begrijpen, is...
a)
Religie
b)
Wetenschap
c)
Cultuur
d)
Filosofie
20.
Waarvan werd Socrates beschuldigd en uiteindelijk ter dood veroordeeld?
a)
Hij had door zijn denkwijze een slechte invloed op de jeugd in Athene
b)
Hij had een verkeerde uitspraak gedaan richting hoogstaande inwoners van Athene
c)
Hij was partijdig in zijn verslag over oorlogen
d)
Hij ging met zijn theorie in op de bestaande wetenschap en dat mocht niet.
21.
Voordat er ontdekt werd dat mensen ziek werden van een ongezond leven, geloofde men er in dat je ziek werd als gevolg van?
a)
Een straf van de goden
b)
Slecht eten
c)
Een slechte persoonlijkheid
d)
Karma
22.

Waar bevonden de meeste burgers zich in de polis? Waar werd er gehandeld en geroddeld?

a)

Akropolis

b)

Agora

c)

Haven

d)

Tempel

23.

Welke twee groepen stonden er onder de Spartanen in de Spartaanse samenleving?

a)

Omwonenden en overwonnenen

b)

Omwonenden en verworpenen

c)

Overwonnen en verworpenen

d)

Omwonenden en migranten

24.
Welke God zie je op de afbeelding?
a)
Artemis
b)
Athene
c)
Aphrodite
d)
Demeter
25.
Welke God zie je op de afbeelding?
a)
Hades
b)
Zeus
c)
Poseidon
d)
Ares
26.
Welke God zie je op de afbeelding?
a)
Artemis
b)
Aphrodite
c)
Athene
d)
Demeter
27.
Welke God zie je op de afbeelding?
a)
Poseidon
b)
Zeus
c)
Hades
d)
Ares
28.
Welke God zie je op de afbeelding?
a)
Ares
b)
Hades
c)
Zeus
d)
Poseidon
29.
Welke God zie je op de afbeelding?
a)
Aphrodite
b)
Demeter
c)
Artemis
d)
Athene
30.
De Grieken hadden een ..... godsdienst
a)
Polytheïstische
b)
Monotheïstische
31.
Waarin leken goden net op mensen?
a)
Ze waren sterfelijk
b)
Ze waren onsterfelijk
c)
Ze kenden emoties
d)
Ze konden beslissen over het leven van mensen
32.
Wat zie je op de afbeelding?
a)
Een sportwedstrijd
b)
Een tempel
c)
Een godenbeeld
d)
Een altaar
33.
Wat zie je op de afbeelding
a)
Een offer
b)
Een altaar
c)
Een tempel
d)
Een orakel
34.
Wat is een mythe?
a)
Een sprookje
b)
Een verhaal over oorlogen
c)
Een verhaal over de wereld
d)
Een verhaal over goden