wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

LBV ILD

Total questions: 14

Worksheet time: 7mins

Name
Class
Date
1.

Welke levensbeschouwing heb jij?

a)

Vrijzinnig humanisme

b)

Islam

c)

Christendom

d)

Andere

2.

Vind je van jezelf dat je goed bent opgevoed?

a)

Ja

b)

Neen

c)

Geen idee

3.

Worden jongens anders opgevoed dan meisjes?

a)

Ja, jongens worden strenger opgevoed.

b)

Ja, de meisjes worden strenger opgevoed.

c)

Neen, er is geen verschil.

d)

Geen idee.

4.

Moet een van de ouders thuis blijven voor de opvoeding van de kinderen?

a)

Ja, de vader moet thuis blijven.

b)

Ja, de moeder moet thuis blijven.

c)

Het maakt niet uit wie er thuis blijft.

5.

Wat betekent opvoeding voor jou?

a)

Kinderen moeten goed gehoorzamen.

b)

Je moet steeds goed met je kinderen kunnen praten.

c)

Bevriend zijn met je kinderen bestaat niet.

d)

Kinderen moet zo opgevoed worden dat ze later veel bereiken in het leven.

e)

Je moet kinderen streng opvoeden.

6.

Een pedagogische tik moet kunnen?

a)

Ja, dat kan geen kwaad.

b)

Neen, kinderen slaan is absoluut fout.

c)

Soms moet kan kunnen maar enkel als uitzondering.

7.

Een kind moet een beetje bang hebben van de ouders.

a)

Ja, een beetje angst kan geen kwaad.

b)

Neen, ik ben goed bevriend met mijn ouders.

c)

Ouders moeten niet vrienden zijn met hun kinderen, ze moeten opvoeden.

d)

Angst moet niet maar soms moeten de ouders wel streng zijn.

8.

Opvoeden is vooral grenzen aangeven.

a)

Ja, kinderen moeten hun grenzen kennen.

b)

Neen, kinderen moeten vooral zelf ervaren wat kan en wat niet.

c)

Ouders moeten grenzen aangeven en soms moet er gespeeld worden.

9.

Ik zou later strenger zijn dan mijn ouders nu.

a)

Ja

b)

Neen

c)

Ik zou hetzelfde doen zoals mijn ouders.

d)

Ik heb geen idee.

10.

Straffen moet kunnen.

a)

Straffen moet zo veel als mogelijk vermeden worden.

b)

Ja, straffen is belangrijk.

c)

Zowel straffen als belonen is belangrijk.

d)

Belonen is het belangrijkste.

e)

Ik heb heir geen mening over.

11.

Je moet steeds in gesprek gaan met je kind.

a)

Ja natuurlijk. Het is je kind!

b)

Niet altijd. Soms moet je gewoon je mening opdringen.

c)

Neen, jij moet niet luisteren naar het kind moet luisteren naar jou.

d)

Geen mening

12.

Een kind hoort af en toe ongehoorzaam te zijn.

a)

Ongehoorzaamheid is: de ouders zijn niet streng genoeg.

b)

Ik ben zelf soms opstandig tegenover ouders/leerkrachten.

13.

Mijn kinderen moeten dezelfde levensbeschouwing hebben als ik.

a)

Het zou spijtig zijn moesten ze een andere levensbeschouwing hebben.

b)

Ja, ze moeten dezelfde levensbeschouwing als ik hebben.

c)

Neen, mijn kinderen mogen hun eigen geloof/ongeloof zelf kiezen.

d)

Ik ga ervan automatisch van uit dat ze dezelfde levensbeschouwing hebben.

e)

Mij maakt het allemaal niet uit.

14.

Wat vind ik het meest belangrijk:

a)

Mijn kind moet luisteren en vriendelijk zijn.

b)

Mijn kind moet goed studeren en diploma halen.

c)

Mijn kind moet kritisch zijn door zaken in vraag te stellen.

d)

Mijn kind moet vooral een goed mens zijn