Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Formuleren en werkwoordspelling

Total questions: 33

Worksheet time: 17mins

Name
Class
Date
1.

Ik eet veel fruit en groenten, ....... ik leef erg gezond.

a)

dus

b)

want

c)

maar

d)

omdat

2.

............ het regent, wordt mijn jas nat.

a)

Omdat

b)

Doordat

c)

Want

d)

Maar

3.

Ik mag nu naar huis, ........ er lesuitval is.

a)

maar

b)

want

c)

omdat

d)

terwijl

4.

............ de boot vertrekt, begint mijn vakantie

a)

Omdat

b)

Zodra

c)

Want

d)

Doordat

5.

De wedstrijdbal van vandaag, ..... wordt aangeboden door Jumbo.

a)

die

b)

dit

c)

dat

6.

Deze oude pen mag je wel gebruiken, maar ..... nieuwe leen ik niet uit.

a)

die

b)

dat

7.

Hij heeft een conflict met zijn buurman, ..... is ontstaan door zijn hond.

a)

die

b)

dat

8.

Eerst, dan, vroeger en uiteindelijk zijn signaalwoorden bij

a)

een opsommend verband

b)

een chronologisch verband

c)

een reden

d)

een toelichting

9.

als....dan, indien en tenzij horen bij een

a)

voorwaarde

b)

reden

c)

tegenstelling

d)

opsomming

10.
melden
De leerling ............ zich gisteren bij de receptie.
a)
melden
b)
melde
c)
meldde
d)
.meldt
11.
maken
Alan en Fay hebben al hun huiswerk..........
a)
gemaaktt
b)
gemaakd
c)
maakte
d)
gemaakt
12.

(bonzen) Hij ... gisteravond keihard op mijn deur!

a)

bonsde

b)

bonste

c)

bonzde

d)

bonzte

13.

Bij de gebiedende wijs (gw) gebruik je de:

a)

ik-vorm

b)

hij-vorm

c)

wij-vorm

d)

pvvt

14.

Wanneer schrijf je de ik-vorm vóór 'je'?

a)

als 'je' vervangen kan worden door 'jij' en andersom

b)

altijd

c)

nooit; 'je' is stam + t

d)

nooit; je schrijft de wij-vorm

15.

'Beminnen' is een...

a)

zwak werkwoord

b)

sterk werkwoord

c)

geen van beide

d)

allebei

16.

'verbieden' is een ...

a)

zwak werkwoord

b)

sterk werkwoord

c)

geen van beide

d)

allebei

17.

Het bijvoeglijk naamwoord (bn) ...

a)

schrijf je altijd zo kort mogelijk

b)

schrijf je met dubbel t of dubbel d

c)

kent geen regels

d)

moet je schrijven zoals je het zegt

18.

(stranden) Vorig jaar ... we met zijn allen in the middle of nowhere.

a)

stranden

b)

strandden

c)

strandten

d)

strandde

19.

(landen) Hij ... vanavond om 21:00 uur.

a)

land

b)

landt

c)

lant

d)

landde

20.

Wat past niet bij de tegenwoordige tijd?

a)

't Kofschip

b)

stam + t

c)

ik-vorm

d)

infinitief

21.

Wat betekent: 'Misdadiger bekend'?

a)

Dat mensen weten wie de misdadiger is

b)

Dat de misdadiger heeft gezegd dat hij een misdrijf heeft gepleegd

22.

Wat is het 'infinitief'?

a)

het hele werkwoord

b)

hetzelfde als de ik-vorm

c)

het hele werkwoord -en

d)

het hele werkwoord, maar dan in de verleden tijd

23.

(bewonen) Het eerder ... huis is nu leeg.

a)

bewoonde

b)

bewoonte

c)

bewonen

d)

bewoondde

24.

(verbreden) De bouwvakkers ... gistermorgen de weg voor het verkeer.

a)

verbreedden

b)

verbreden

c)

verbreeden

d)

verbreedten

25.

(verachten) De ... docent wilde geen les meer geven.

a)

verachtte

b)

verachte

c)

verachtten

d)

verachten

26.

Mijn broertje (raden) altijd het goede antwoord! (tt)

a)

raad

b)

raat

c)

raadde

d)

raadt

27.

Vul de persoonsvorm tegenwoordige tijd in.

Het (gebeuren) .......... zelden dat jij je mond houdt.

a)

gebeurd

b)

gebeurt

c)

gebeurdt

d)

gebeurde

28.

Vul het juiste voltooid deelwoord.

Het grootste deel van de rivier is (dichtslibben) ..........

a)

dichtgeslipt

b)

gedichtslibt

c)

dichtgeslibd

d)

dichtgeslibt

29.

Vul de juiste vorm in:

Het ... (verbranden) huis was helemaal vernietigd.

a)

verbrande

b)

verbrandde

c)

verbranden

d)

verbrandte

30.

Vul de juiste vorm in:

Wij ..... (wachten) gisteren de hele middag op een reactie.

a)

wachte

b)

wachten

c)

wachtte

d)

wachtten

31.

Wat is het voltooid deelwoord van 'poetsen'?

a)

gepoetst

b)

gepoetsen

c)

gepoetsd

32.

Vul de juiste vorm in (tegenwoordige tijd):

De schipper ... (binden) zijn boot stevig aan de paal vast.

(a)  

33.

Vul de juiste vorm in (tegenwoordige tijd):

De bezorger van het pakketje ...(vergissen) zich in het huisnummer.

(a)