wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

De Slimste BovensteLidmaatKenner ter Faber

Total questions: 18

Worksheet time: 9mins

Name
Class
Date
1.

Artrokinematica: In welke van volgende gewrichten zijn rol en glij gelijkgericht?

a)

SC (elevatie-depressie)

b)

Lunatum-capitatum

c)

CMC 1 (flexie-extensie)

d)

Art. GH

2.

Behandeling: een pijnlijk gewricht behandel je als volgt:

a)

Aspecifieke gewrichtspositie, snel ritmisch,

graad I-II,

indirecte techniek

b)

Aspecifieke gewrichtspositie, snel ritmisch,

graad I-II,

directe techniek

c)

Specifieke gewrichtspositie, snel ritmisch,

graad I-II,

indirecte techniek

d)

Specifieke gewrichtspositie, traag ritmisch,

graad I-II,

indirecte techniek

3.

Oefentherapie: Een pro- en supinatiebeweging traag excentrisch uitvoeren met een hamer is GEEN geschikte oefening voor:

a)

Valgusinstabiliteit van de elleboog.

b)

Postoperatieve stijve elleboog (volgens capsulair patroon).

c)

Mediale elleboogtendinopatie

d)

Laterale elleboogtendinopathie

4.

Anatomie: welke van deze spieren worden door dezelfde zenuw (n. dorsalis scapulae) geïnnerveerd? Tip: een functie van beiden is neerwaartse rotatie

a)

M. trapezius pars descendens en m. levator scapulae

b)

M. levator scapulae en mm. rhomboidei.

c)

M. teres major en m. latissimus dorsi

d)

M. trapezius pars transversa en mm rhomboidei

5.

Onderzoek: Met welke van volgende testen onderzoek je GEEN pathologie van de radiale keten?

a)

Whipple test

b)

What test

c)

Lever test

d)

Watson test

6.

Behandeling: Voor een supinatiebeperking in het RUP gewricht transleer je de radiuskop naar:

a)

Ventraal

b)

Ventraal-mediaal

c)

Ventraal-lateraal

d)

Dorsaal-lateraal

7.

Oefentherapie: Bij GH instabiliteit bouw je de oefentherapie best als volgt op:

a)

Gesloten keten, open keten, settings

b)

Settings, open keten, gesloten keten

c)

Gesloten keten, settings, open keten

d)

Settings, gesloten keten, open keten

8.

Artrokinematica

A) De translatierichting voor een add beperking in het CMC1 is palmair-radiaal.

B) De tractierichting van het HU is in de lengterichting van de ulna.

a)

A en B zijn juist

b)

A is fout, B is juist

c)

A is juist, B is fout

d)

A en B zijn fout

9.

Onderzoek: Improvement tests met focus op bijkomende rotator cuff activatie (zoals een vuist maken of exorotatie weerstand met een theraband toevoegen) zullen geen effect hebben op de klachten bij:

a)

Frozen shoulder

b)

GH instabiliteit

c)

Rotator cuff tendinopathie

10.

Anatomie: Welke functie delen de m. trapezius pars descendens en de m. serratus anterior?

a)

Abductie van de scapula

b)

Adductie van de scapula

c)

Opwaartse rotatie van de scapula

d)

Neerwaartse rotatie van de scapula

11.

Artrokinematica: In het sagitale vlak zijn rol en glij tegengesteld in het HU. Flexie: ulna rolt naar vent-prox en glijdt naar dors-dist.

a)

Waar

b)

Niet waar

12.

Onderzoek / behandeling: Een humero-ulnaire tractie verloopt volgens deze richting:

a)

lengterichting van de ulna

b)

distaal-dorsaal

c)

distaal-ventraal

d)

distaal-dorsaal volgens 45° van de ulna

13.

Artrokinematica: Bij een CMC1 flexie...

a)

rolt en glijdt het os MC naar ulnair en palmair.

b)

rolt en glijdt het os MC naar radiaal en dorsaal.

c)

rolt het os MC naar ulnair/palmair en glijdt hij naar radiaal/dorsaal.

d)

rolt het os MC naar radiaal/dorsaal en glijdt hij naar ulnair/palmair.

14.

Artrokinematica: Welke stelling is FOUT?

a)

Centrale keten: rol en glij zijn steeds tegengesteld.

b)

Radiale keten: rol en glij gelijkgericht in het STT gewricht.

c)

Ulnaire keten: rol en glij zijn steeds tegengesteld.

d)

De rol en glijbewegingen in het DRUJ en RUP zijn gelijkgericht.

15.

Artrokinematice: Voor een dorsiflexiebeperking voer je een translatiebeweging van...

a)

het os capitatum (t.o.v. het os lunatum) uit naar dorsaal.

b)

het os lunatum (t.o.v. de radius) uit naar dorsaal.

c)

het os triquetrum (t.o.v. de ulna) uit naar palmair.

d)

het os trapezium (t.o.v. het os scaphoideum) naar palmair.

16.

Anatomie: Welke spier wordt niet bezenuwd door de n. medianus?

a)

Abductor pollicis brevis (APB)

b)

Flexor pollicis brevis (FPB)

c)

Abductor pollicis longus (APL)

d)

Opponens pollicis (OpP)

17.

Anatomie / onderzoek: Welke van volgende presentaties heeft GEEN relatie met een n. ulnarisletsel?

a)

Een klauwhand/intriniek minus stand

b)

Zwakte van de DIP flexie van wijsvinger en middenvinger.

c)

Een positief teken van Froment

d)

Atrofie van de interossei

18.

Onderzoek: Welke van volgende tests is geen test voor De Quervain tenosynovitis?

a)

What test

b)

Finkelstein test

c)

Eichhoff test

d)

Watson test