Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Thema 10 Regeling

Total questions: 19

Worksheet time: 11mins

Name
Class
Date
1.

Een dynamo is een spanningsbron

a)

Juist

b)

Onjuist

2.

De eenheid van spanning is ampère

a)

Juist

b)

Onjuist

3.

Een lampje brandt alleen in een open stroomkring.

a)

Juist

b)

Onjuist

4.

Er bestaan batterijen die verschillende spanningen leveren.

Op de batterijen wordt eenzelfde lampje aangesloten.

Batterij A levert 4,5 V en laat lampje A branden.

Batterij B levert 3,0 V en laat lampje B branden.

Wat kun je zeggen over de felheid waarmee de lampjes branden?

a)

Lampje A brandt het felst

b)

Lampje B brandt het felst

5.

Bekijk de afbeelding. Voor het werken van een lamp zijn er twee batterijen nodig.

In welke afbeelding(en) zijn de batterijen goed aangesloten?

a)

A

b)

B

c)

C

d)

A en B

6.

Bekijk de afbeelding. Hier zie je

a)

Alleen een parallelschakeling

b)

Alleen een serieschakeling

c)

Een parallel- en een serieschakeling

7.

In de stroomkring van de afbeelding moeten met een schakelaar de lampjes 2 en 3 tegelijk aan- of uitgezet worden.

Waar moet je de schakelaar plaatsen?

a)

bij B of C

b)

bij A of H

c)

bij E of G

d)

bij D of F

8.

In welk schakelschema wordt de stroomsterkte door het lampje gemeten?

a)

A

b)

B

c)

C

d)

D

9.

"Volt" is een :

a)

Natuurkundige grootheid

b)

Natuurkundige eenheid

c)

Stuursysteem

d)

Meetsysteem

10.

In de afbeelding zie je een schematische tekening van de weg die elektriciteit naar onze woonhuizen aflegt. A, B en C zijn transformatoren. Welke spanning hoort bij transformator C?

a)

van 10 000 naar 380 000 V

b)

van 380 000 naar 10 000 V

c)

van 10 000 naar 230 V

11.

Het symbool in de afbeelding is een:

a)

Schakelaar

b)

Spanningsbron

c)

Lampje

d)

Snoer

12.

Het symbool in de afbeelding is een:

a)

Schakelaar

b)

Spanningsbron

c)

Lampje

d)

Snoer

13.

Welke van de schakelingen uit de afbeelding zijn parallelschakelingen?

a)

A

b)

B

c)

C

d)

D

14.

Bij welke schakeling(en) branden er 2 lampjes?

a)

A

b)

B

c)

C

d)

D

15.

Mensen met suikerziekte spuiten zichzelf regelmatig in met glucagon.

a)

Juist

b)

Onjuist

16.

Welk orgaan maakt het groeihormoon aan?

a)

Eierstokken

b)

Schildklier

c)

Alvleesklier

d)

Hypofyse

17.

Hoe heet de hormoonklier die aangegeven is met nummer 2?

(a)  

18.

Hoe heet de hormoonklier aangegeven met nummer 4?

(a)  

19.

Welke stap in de terugtrekreflex bij de hand vindt als eerste plaats.

a)

Hand trekt terug.

b)

Impulsen richting ruggenmerk.

c)

Impulsen naar spieren.

d)

Zintuig registreert iets.