Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

havo5 - LWEO - verdienen & uitgeven

Total questions: 33

Worksheet time: 33mins

Name
Class
Date
1.

Twee beweringen over de ontwikkeling van het bbp vanaf 2018 (zie bron). De trendmatige groei bedraagt 2%.

I. Van 2009 t/m 2015 is er sprake van laagconjunctuur.

II. In 2016, 2017 en 2018 is er sprake van hoogconjunctuur.

a)

Beide zijn goed

b)

Alleen I is goed

c)

Alleen II is goed

d)

Beide zijn fout

2.

Twee beweringen over toegevoegde waarde.

I. De productiewaarde is gelijk aan loon + rente + huur/pacht.

II. Het inkomen is gelijk aan de toegevoegde waarde. Welke bewering(en) is/zijn goed?

a)

Beide zijn goed

b)

Alleen I is goed

c)

Alleen II is goed

d)

Beide zijn fout

3.

In Nederland betalen de werkenden via sociale premies de uitkeringen van de niet-werkenden. De druk van de sociale premies op de primaire inkomens van de werkenden stijgt over het algemeen...

I. ... als de participatiegraad toeneemt.

II. ... als de verhouding werkenden / niet-werkenden toeneemt.

a)

Beide zijn goed

b)

Alleen I is goed

c)

Alleen II is goed

d)

Beide zijn fout

4.

Vul in: Het verschil tussen de omzet van een bedrijf en de toegevoegde waarde is gelijk aan ........

a)

de loonkosten

b)

de inkoopwaarde

c)

de totale kosten

d)

de winst

5.

Twee stellingen: I. De overheid draagt niet bij aan het nationaal product omdat zij geen goederen produceert voor een markt.

II. Het nationaal inkomen neemt toe als de overheid de ambtenarensalarissen verhoogt met 5% en dit financiert uit een belastingverhoging.

Welke stelling(en) is/zijn juist?

a)

Beide zijn goed

b)

Alleen I is goed

c)

Alleen II is goed

d)

Beide zijn fout

6.

Twee gevolgen van inflatie kunnen zijn: I. dat de mensen minder gaan sparen.

II. dat de koopkracht van het inkomen daalt. Welk gevolg(en) is/zijn juist?

a)

Beide zijn goed

b)

Alleen I is goed

c)

Alleen II is goed

d)

Beide zijn fout

7.

Ook de overheid draagt bij aan de totstandkoming van het nationaal product. De toegevoegde waarde van de overheid wordt gelijkgesteld aan ...

a)

de som van de belastinginkomsten.

b)

het totaal van de btw-ontvangsten.

c)

de totale overheidsuitgaven.

d)

de uitbetaalde ambtenarensalarissen.

8.

Welke stelling is goed of fout?

I. Het binnenlands product is groter dan het binnenlands inkomen.

II. Het binnenlands product is een optelsom van de omzetten van alle bedrijven in een land, in een jaar tijd.

a)

Beide zijn goed

b)

Alleen I is goed

c)

Alleen II is goed

d)

Beide zijn fout

9.

Het reëel inkomen daalt als ...

a)

de prijzen dalen en de nominale lonen gelijk blijven.

b)

de nominale lonen meer stijgen dan de prijzen.

c)

de prijzen meer stijgen dan de nominale lonen.

d)

de nominale lonen stijgen en prijzen gelijk blijven.

10.

Stel dat in land A de prijzen in 2019 4,2% hoger zijn dan in 2018. Het reëel nationaal inkomen van land A is in 2019 2,2 % hoger dan in 2018. Het nominaal nationaal inkomen in 2019 is ...

a)

6,4% hoger dan in 2018.

b)

2,0% hoger dan in 2018.

c)

1,9% hoger dan in 2018.

d)

2,0% lager dan in 2018.

11.

In 2018 is de Consumptie Prijsindex (CPI) 109. In 2019 is deze 111. Met hoeveel procent (op 1 decimaal) moet het nominaal inkomen in 2019 stijgen om de koopkracht gelijk te houden?

(a)  

12.

Het reële inkomen (bbp) per inwoner is een gebrekkige maatstaf voor welvaart vanwege ... (meerdere antwoorden mogelijk)

a)

het prijsniveau.

b)

de verdeling van het reële inkomen.

c)

het informele circuit.

d)

negatieve externe effecten.

e)

de mate van duurzaamheid.

13.

De mate waarin de mensen in hun behoefte kunnen voorzien noemen we (a)  

14.

Twee beweringen over de overheid. I. De overheidsconsumptie bestaat uit ambtenarensalarissen en sociale uitkeringen. II. De overheidsinvesteringen zijn bijvoorbeeld de uitgaven aan wegen en bruggen. Welke bewering(en) is/zijn goed?

a)

Beide zijn goed

b)

Alleen I is goed

c)

Alleen II is goed

d)

Beide zijn fout

15.

Van de economie van land A, zonder overheid en buitenland, is over 2019 het volgende bekend:

- bruto binnenlands product = 90 miljard;

- consumptie gezinnen = 70 miljard.

Bereken de investeringen in miljarden.

(a)  

16.

Van de economie van land D, met overheid en buitenland, is over 2019 het volgende bekend in euro's:

- consumptieve bestedingen = 76 miljard;

- investeringen door bedrijven = 12 miljard;

- overheidsbestedingen = 33 miljard;

- export van goederen/diensten = 18 miljard;

- import van goederen/diensten = 15 miljard.

Bereken het bruto binnenlands product in 2019 in miljarden euro's.

(a)  

17.

Twee beweringen over de kringloop met overheid en buitenland.

I. Als Ierland meer exporteert dan importeert dan leent Ierland in het buitenland.

II. Er geldt: (S - I) = (O - B) + (E - M). Welke bewering(en) is/zijn goed?

a)

Beide zijn goed

b)

Alleen I is goed

c)

Alleen II is goed

d)

Beide zijn fout

18.

De hoogte van de productie van een land in een jaar wordt bepaald door ........

a)

productiecapaciteit.

b)

productiecapaciteit en bestedingen.

c)

bestedingen.

19.

Twee beweringen over de productie.

I. Als het over de structurele kant van de economie gaat, gaat het over de bestedingen.

II. De trendmatige groei is hetzelfde als de gemiddelde groei van de productie over een langere periode. Welke bewering(en) is/zijn goed?

a)

Beide zijn goed

b)

Alleen I is goed

c)

Alleen II is goed

d)

Beide zijn fout

20.

Twee beweringen over de conjunctuur. I. Bij onderbesteding is er meer inflatie. II. Bij overbesteding is er conjuncturele werkloosheid. Welke bewering(en) is/zijn goed?

a)

Beide zijn goed

b)

Alleen I is goed

c)

Alleen II is goed

d)

Beide zijn fout

21.

Twee beweringen over oorzaak en gevolg. I. Dalende consumptie kan leiden tot dalend nationaal inkomen. II. Als de bestedingen dalen, stijgt de werkloosheid. Welke bewering(en) is/zijn goed

a)

Beide zijn goed

b)

Alleen I is goed

c)

Alleen II is goed

d)

Beide zijn fout

22.

De bezettingsgraad van een land is ...

a)

(bestedingen / productiecapaciteit) × 100%

b)

(bestedingen / productie) × 100%

c)

(productie / bestedingen) × 100%

d)

(productiecapaciteit / bestedingen) × 100%

23.

In de grafiek staat de geaggregeerde vraag- en aanbodcurve van Nederland (zie bron). Vul in: Op de horizontale as (X) staat het (a)  

24.

In de grafiek staat de geaggregeerde vraag- en aanbodcurve van Nederland (zie bron). Twee beweringen hierover.

I. Als de geaggregeerde vraag (V) afneemt daalt het reëel bbp en stijgt het prijspeil.

II. Het geaggregeerde aanbod (A) kan toenemen door stijging van de arbeidsproductiviteit. Welke bewering(en) is/zijn goed

a)

Beide zijn goed

b)

Alleen I is goed

c)

Alleen II is goed

d)

Beide zijn fout

25.

Twee beweringen over conjunctuurontwikkeling op korte termijn.

I. Prijsrigiditeit leidt bij dalende bestedingen tot minder werkgelegenheid.

II. Loonstarheid is een gevolg van afspraken en wetgeving. Welke bewering(en) is/zijn goed?

a)

Beide zijn goed

b)

Alleen I is goed

c)

Alleen II is goed

d)

Beide zijn fout

26.

Op lange termijn verloopt de geaggregeerde aanbodcurve verticaal. Dit komt doordat:

a)

de reële productie gelijk blijft.

b)

de prijzen flexibel zijn.

c)

de reële productie flexibel is.

d)

de prijzen gelijk blijven.

27.

Als de regering op tijdstip A anticyclisch begrotingsbeleid wil voeren, moet zij .....

a)

A de belastingen verlagen of de overheidsbestedingen verlagen.

b)

de belastingen verlagen of de overheidsbestedingen verhogen.

c)

de belastingen verhogen of de overheidsbestedingen verlagen.

d)

de belastingen verhogen of de overheidsbestedingen verhogen.

28.

Een hoogconjunctuur zoals in 2018 in Nederland leidt voor de overheid tot:

a)

hogere belastingontvangsten en overheidsuitgaven.

b)

lagere belastingontvangsten en overheidsuitgaven.

c)

hogere belastingontvangsten en lagere overheidsuitgaven.

d)

lagere belastingontvangsten en hogere overheidsuitgaven.

29.

Een vergroting van het tekort van de overheid door hogere overheidsbestedingen en een toename van de geldhoeveelheid zal in geval van onderbesteding waarschijnlijk leiden tot: I. hoge inflatie

II. minder conjuncturele werkloosheid Welk gevolg(en) is/zijn goed

a)

Beide zijn goed

b)

Alleen I is goed

c)

Alleen II is goed

d)

Beide zijn fout

30.

De verkeersvergelijking van Fisher luidt: .....×....... = .... ×..... (alleen de hoofdletters opschrijven).

(a)  

31.

In een land is voor € 750 miljoen euro aan geld in omloop. Er worden in dit land 120 miljoen producten gemaakt tegen een gemiddelde prijs van € 30. Bereken de omloopsnelheid van het geld in één decimaal.

(a)  

32.

In een bepaald jaar stijgt de maatschappelijke geldhoeveelheid in China met 12% en het reëel bbp met 8%. De omloopsnelheid van het geld stijgt in deze periode met 2%. Bereken met behulp van indexcijfers in de verkeersvergelijking van Fisher de inflatie (de stijging van het prijsniveau) in één decimaal.

(a)  

33.

De FED (Centrale Bank van de VS) zal iedere maand voor 60 miljard dollar staatsobligaties opkopen, zodat de banken meer geld uit kunnen lenen. De economie van de VS bevindt zich in een situatie van laagconjunctuur. Twee beweringen hierover.

I. De toename van geld bij het publiek leidt op korte termijn tot hogere productie. II. De toename van geld bij het publiek leidt op korte termijn tot hogere prijzen. Welke bewering(en) is/zijn goed?

a)

Beide zijn goed

b)

Alleen I is goed

c)

Alleen II is goed

d)

Beide zijn fout