WorksheetsBezittelijk Voornaamwoord
Total questions: 20
Worksheet time: 15mins
Anita werkt op .......... kamer.
haar
zijn
Mijn broer kijkt op ......... horloge.
haar
zijn
Mevrouw van Dam komt met .......... zoon en dochter mee.
haar
zijn
De buurman luistert naar de muziek in ........... hut.
haar
zijn
Dit is het huis van jou. Dit is .............. huis
jouw
zijn
Dit is de auto van mijn tante. Dit is ........... auto.
ons
haar
Jij en Annie zijn vrienden van ons. Jij en Annie zijn .................. vrienden.
ons
onze
Ik moet drie keer per dag .............. tanden poetsen.
mijn
zijn
Maken jullie .............. bed op?
jouw
jullie
Emilie en Nadine houden van muziek. ......................... lievelingszanger is Demi Levato
onze
hun
Poets je (a) tanden na elke maaltijd?
Theo en (a) vrienden gaan naar het bos fietsen.
Joep en Hugo gaan naar dezelfde school. (a) school ligt in Brussel.
Dit is de tuin van mijn neef. Dit is (a) tuin.
Dit is de laarzen van mijn nicht. Dit is (a) laarzen.
Wij hebben een zus. (a) naam is Anneke.
Eten jullie (a) soep op?
Wij wonen in Nederland. (a) dorp heet Giethoorn.
Ik heb (a) sportzak in de bus vergeten.
De leraren spelen met (a) leerlingen.
