Font size
WorksheetsEindmeting werkwoordspelling
Total questions: 20
Worksheet time: 15mins
1. (a) keek ze in de spiegel. (stralen)
Hij heeft de spullen (a) . (verplaatsen)
De (a) hond kwispelt elke dag. (redden)
Zorg dat je de tandartsafspraak (a) . (bevestigen)
Een groep studenten (a) zich bij de docent. (melden)
Ik (a) vorige week een uur op de trein. (wachten)
Merel (a) de mening die hij verkondigde niet gepast. (vinden, t.t.)
Hij (a) die aflevering voor zijn vriendin. (downloaden, v.t.)
Zullen we lunchen in de gang (a) ? (verbieden)
(a) onmiddellijk je excuses aan! (bieden)
Het vierde deel heet: “De (a) stad”. (verwoesten)
Je leent boeken met een (a) bibliotheekpas. (verlopen)
De voetballers (a) te scoren in de laatste helft. (proberen, v.t.)
(a) je dat geen goed idee? (vinden)
Hij heeft het doelwit (a) . (raken)
Ik (a) telkens door een vreemd nummer gebeld. (worden)
Wij geloven niet wat hij (a) . (vertellen t.t.)
De meisjes (a) vorige keer nog wel. (praten)
We (a) ons bij de voordeur. (bevinden)
(a) je beste vriend wat snacks mee? (brengen)
