WorksheetsVoornaamwoorden 1hv NN
Total questions: 21
Worksheet time: 17mins
Er zijn vier vragende voornaamwoorden: wie, wat, welk(e) en wat voor (een)
Waar
Niet waar
Wie is altijd een vragend voornaamwoord.
Waar
Niet waar
Woorden als waar, waarheen, wanneer en hoe zijn vragende voornaamwoorden.
Waar
Niet waar
Achter een aanwijzend voornaamwoord staat altijd een zelfstandig naamwoord.
Waar
Niet waar
Wat is het aanwijzend voornaamwoord in de volgende zin?
Deze rode fiets vind ik veel mooier dan jouw rode fiets.
(a)
Wat is het aanwijzend voornaamwoord in de volgende zin?
Deze rode fiets vind ik veel mooier dan jouw rode fiets.
(a)
Wat is het aanwijzend voornaamwoord in de volgende zin?
Vind jij dat ook?
(a)
Wat is het aanwijzend voornaamwoord in de volgende zin?
Weet jij al welke klasgenoten je uitnodigt voor dat feest?
(a)
Wat is het aanwijzend voornaamwoord in de volgende zin?
Ik vind katten verschrikkelijk, maar die is wel schattig.
(a)
Wat is het aanwijzend voornaamwoord in de volgende zin?
Doe je deze kleur op de muur? Ben je gek geworden!
(a)
Wat is het vragend voornaamwoord in de volgende zin?
Weet je al welke klasgenoten je uitnodigt voor dat feestje?
(a)
Wat is het vragend voornaamwoord in de volgende zin?
Mijn broer heeft geen idee wie zijn kapotte cd-speler kan maken.
(a)
Wat is het vragend voornaamwoord in de volgende zin?
Wat geven jullie haar voor haar verjaardag?
(a)
Vul een passend aanwijzend of vragend voornaamwoord in.
Ik hou niet van ... grapjes.
(a)
Vul een passend aanwijzend of vragend voornaamwoord in.
Karin heeft ... moeilijke tekst vast niet zelf geschreven.
(a)
Hoeveel aanwijzende voornaamwoorden staan er in de zin?
Ik weet niet welke jurk dat meisje naar dat feest aan moet.
1
2
3
4
Hoeveel aanwijzende voornaamwoorden staan er in de zin?
Ik weet ook niet welke jurk ik aan ga trekken naar dat feest.
1
2
3
4
Hoeveel aanwijzende voornaamwoorden staan er in de zin?
Weet jij wat ze morgen in deze stad gaan vieren?
1
2
3
4
Hoeveel aanwijzende voornaamwoorden staan er in de zin?
Het lijkt me wel duidelijk welk verhaal door die opschepper verzonnen is.
1
2
3
4
Hoeveel aanwijzende voornaamwoorden staan er in de zin?
Zulke mensen beslissen dus wie die boeken aan mij mag lenen.
1
2
3
4
Wat is het vragend voornaamwoord in de volgende zin?
Ik weet niet welke jurk ik zal aantrekken naar dat feest.
(a)
