wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Taal actief taal thema 2 groep 6

Total questions: 67

Worksheet time: 56mins

Name
Class
Date
1.

Heeft een stadion een dak?

a)

ja

b)

nee

c)

soms

2.

Heeft een atletiekbaan een dak?

a)

ja

b)

nee

c)

soms

3.

Heeft een sporthal een dak?

a)

ja

b)

nee

c)

soms

4.

Heeft een stadion gras?

a)

ja

b)

nee

c)

soms

5.

Heeft een atletiekbaan gras?

a)

ja

b)

nee

c)

soms

6.

Heeft een sporthal gras?

a)

ja

b)

nee

c)

soms

7.

Wat is het goede voorzetsel?

Rondom/tijdens een oefenpartij stond hij langs de zijlijn.

a)

rondom

b)

tijdens

8.

Wat is het goede voorzetsel?

Plots stond hij tegenover/aan zijn idool en keek hem recht in de ogen.

a)

tegenover

b)

aan

9.

Wat is het goede voorzetsel?

Gedurende/tijdens 1 minuut zwegen de toeschouwers rondom/aan het veld.

a)

gedurende en rondom

b)

gedurende en aan

c)

tijdens en aan

d)

tijdens en rondom

10.

Schrijf het voorzetsel op.

Op een tennisbaan staan de spelers tegenover elkaar.

(a)  

11.

Schrijf het voorzetsel op.

Ze slaan de bal over het net.

(a)  

12.

Schrijf het voorzetsel op.

De scheidsrechter zit tussen de spelers bij het net.

(het zijn er twee

woord-woord)

(a)  

13.

Schrijf het hele werkwoord op.

De directeur bewondert Desiree.

(a)  

14.

Schrijf het hele werkwoord op.

Hij gooit zelf ook graag een bal.

(a)  

15.

Schrijf het hele werkwoord op.

Alle mensen klappen enthousiast mee.

(a)  

16.

Kijk naar de laatste letter van het hele werkwoord. Doe dit min -en. Komt de laatste letter voor in het 't kofschip x?

ruilen

a)

ja

b)

nee

17.

Kijk naar de laatste letter van het hele werkwoord. Doe dit min -en. Komt de laatste letter voor in het 't kofschip x?

gebeuren

(a)  

18.

Kijk naar de laatste letter van het hele werkwoord. Doe dit min -en. Komt de laatste letter voor in het 't kofschip x?

knippen

a)

ja

b)

nee

19.

Kijk naar de laatste letter van het hele werkwoord. Doe dit min -en. Komt de laatste letter voor in het 't kofschip x?

haken

a)

ja

b)

nee

20.

Kijk naar de laatste letter van het hele werkwoord. Doe dit min -en. Komt de laatste letter voor in het 't kofschip x?

boksen

a)

ja

b)

nee

21.

Kijk naar de laatste letter van het hele werkwoord. Doe dit min -en. Komt de laatste letter voor in het 't kofschip x?

openen

a)

ja

b)

nee

22.

Schrijf de verleden tijd van het werkwoord op.

Het hele werkwoord min -en. zit de laatste letter in het 't kofschip? Ja= t nee =d

(stam+de(n) of stam + te(n)).

Mijn neefjes voetballen bij een club.

(a)  

23.

Schrijf de verleden tijd van het werkwoord op.

Het hele werkwoord min -en. zit de laatste letter in het 't kofschip? Ja= t nee =d

(stam+de(n) of stam + te(n)).

De wedstrijd dreigt afgelast te worden door het slechte weer.

(a)  

24.

Schrijf de verleden tijd van het werkwoord op.

Het hele werkwoord min -en. zit de laatste letter in het 't kofschip? Ja= t nee =d

(stam+de(n) of stam + te(n)).

Bij korfbal mixen we de jongens en de meisjes.

(a)  

25.

Schrijf de verleden tijd van het werkwoord op.

Het hele werkwoord min -en. zit de laatste letter in het 't kofschip? Ja= t nee =d

(stam+de(n) of stam + te(n)).

De trainer eist dat iedereen op tijd komt.

(a)  

26.

Schrijf de verleden tijd van het werkwoord op.

Het hele werkwoord min -en. zit de laatste letter in het 't kofschp? Ja= t nee =d

(stam+de(n) of stam + te(n)).

De kogelstoter gooit de kogel met zijn linkerarm.

(a)  

27.

Schrijf de verleden tijd van het werkwoord op.

Het hele werkwoord min -en. zit de laatste letter in het 't kofschip? Ja= t nee =d

(stam+de(n) of stam + te(n)).

Zij vieren de overwinning met een feest.

(a)  

28.

Schrijf de verleden tijd van de persoonsvorm op.

Het hele werkwoord min -en. zit de laatste letter in het 't kofschip? Ja= t nee =d

(stam+de(n) of stam + te(n)).

Ik speel in het eerste voetbalteam van ons dorp.

(a)  

29.

Schrijf de verleden tijd van de persoonsvorm op.

Het hele werkwoord min -en. zit de laatste letter in het 't kofschip? Ja= t nee =d

(stam+de(n) of stam + te(n)).

's Nachts droom ik van een toekomst als voetballer.

(a)  

30.

Schrijf de verleden tijd van de persoonsvorm op.

Het hele werkwoord min -en. zit de laatste letter in het 't kofschip? Ja= t nee =d

(stam+de(n) of stam + te(n)).

Ik kop per ongeluk de bal over het net.

(a)  

31.

Schrijf de verleden tijd van de persoonsvorm op.

Het hele werkwoord min -en. zit de laatste letter in het 't kofschip? Ja= t nee =d

(stam+de(n) of stam + te(n)).

Mijn trainer fluistert iets in mijn oor.

(a)  

32.

Schrijf de verleden tijd van de persoonsvorm op.

Het hele werkwoord min -en. zit de laatste letter in het 't kofschp? Ja= t nee =d

(stam+de(n) of stam + te(n)).

Ik groei dit jaar wel zeven centimeter.

(a)  

33.

Welk woord past in de plaats van de gekleurde woorden?

Jeroen doet op een overdreven manier zijn best tijdens het voetballen.

a)

slooft zich uit

b)

mekkert

c)

troeft hem

34.

Welk woord past in de plaats van de gekleurde woorden?

Zijn moeder roept: 'Als het aan mij ligt, worden jullie kampioen'.

a)

troeft hem af

b)

mekkert

c)

wat mij betreft

35.

Welk woord past in de plaats van de gekleurde woorden?

Een vader zeurt tegen zijn zoon.

a)

mekkert

b)

heeft geen interesse in

c)

troeft hem af

36.

Welk woord past in de plaats van de gekleurde woorden?

De zoon wil niet veel weten van het spel.

a)

wat mij betreft

b)

heeft geen interesse in

c)

mekkert

37.

Welk woord past in de plaats van de gekleurde woorden?

De tegenstander wil Jeroen passeren, maar Jeroen pakt de bal af.

a)

troeft hem af

b)

mekkert

c)

slooft zich uit

38.

Welk woord past niet in de rij?

zich uitsloven - opscheppen - bescheiden

(a)  

39.

Welk woord past niet in de rij?

Aandacht - gapen - de interesse

(a)  

40.

Welk woord past niet in de rij?

Zwijgen - vragen - mekkeren

(a)  

41.

Welk woord past niet in de rij?

terechtwijzen - iemand aftroeven - aannemen

(a)  

42.

Welk woord past niet in de rij?

persoonlijk - wat mij betreft - volgens de buurman

(a)  

43.

Zoek het onderwerp in de zin.

Bob en Joris spelen voetbal.

(a)  

44.

Zoek het onderwerp in de zin.

Jij draagt een bitje tijdens hockey.

(a)  

45.

Zoek het onderwerp in de zin.

Dat moeten we altijd dragen.

(a)  

46.

Zoek het onderwerp in de zin.

Chiara gooit de bal naar Desiree.

(a)  

47.

Zoek het onderwerp in de zin.

Milan en Wiebe werken.

(a)  

48.

Zoek het onderwerp in de zin.

Aniek gooit de bal naar Liz.

(a)  

49.

Zoek het onderwerp in de zin.

Tess vangt de bal.

(a)  

50.

Zoek het onderwerp in de zin.

Hidde en Thijs zijn aan het voetballen.

(a)  

51.

Zoek het onderwerp in de zin.

Sela en Leah gaan morgen samen winkelen.

(a)  

52.

Zoek het onderwerp in de zin.

Noud laat Sofia heel erg schrikken.

(a)  

53.

Zoek het onderwerp in de zin.

Robbi vindt Iris heel erg aardig.

(a)  

54.

Zoek het onderwerp in de zin.

Lev zorgt er vaak voor dat de kinderen uit de klas lachen.

(a)  

55.

Zoek het onderwerp in de zin.

Iedereen uit de klas vindt dat Sophie super mooi kan tekenen.

(a)  

56.

Zoek het onderwerp in de zin.

Madee zet de bril van Meike op.

(a)  

57.

Schrijf de afkorting in woorden op.

Zij fietste de afstand in 3 min. precies.

(a)  

58.

Schrijf de afkorting in woorden.

Dat is gemiddeld 30 km p.u.

(a)  

59.

Schrijf de afkorting in woorden.

We trainen twee maal p.w.

(a)  

60.

Schrijf de afkorting in woorden.

m.u.v. de wintermaanden.

(a)  

61.

Schrijf de afkorting in woorden.

Ook oefenen we dan binnen i.p.v. buiten.

(a)  

62.

Schrijf de afkorting in woorden.

Er kunnen max. twintig kinderen meedoen.

(a)  

63.

Schrijf de afkorting in woorden.

De kosten p.p. zijn tien euro per maand.

(a)  

64.

Is het een denksport of doe je het met je lichaam?

lopen

a)

lichaam

b)

denksport

65.

Is het een denksport of doe je het met je lichaam?

dammen

a)

denksport

b)

lichaam

66.

Is het een denksport of doe je het met je lichaam?

Sjokken

a)

lichaam

b)

denksport

67.

Is het een denksport of doe je het met je lichaam?

sprinten

a)

lichaam

b)

denksport