Font size
WorksheetsTaal actief taal thema 2 groep 6
Total questions: 67
Worksheet time: 56mins
Heeft een stadion een dak?
ja
nee
soms
Heeft een atletiekbaan een dak?
ja
nee
soms
Heeft een sporthal een dak?
ja
nee
soms
Heeft een stadion gras?
ja
nee
soms
Heeft een atletiekbaan gras?
ja
nee
soms
Heeft een sporthal gras?
ja
nee
soms
Wat is het goede voorzetsel?
Rondom/tijdens een oefenpartij stond hij langs de zijlijn.
rondom
tijdens
Wat is het goede voorzetsel?
Plots stond hij tegenover/aan zijn idool en keek hem recht in de ogen.
tegenover
aan
Wat is het goede voorzetsel?
Gedurende/tijdens 1 minuut zwegen de toeschouwers rondom/aan het veld.
gedurende en rondom
gedurende en aan
tijdens en aan
tijdens en rondom
Schrijf het voorzetsel op.
Op een tennisbaan staan de spelers tegenover elkaar.
(a)
Schrijf het voorzetsel op.
Ze slaan de bal over het net.
(a)
Schrijf het voorzetsel op.
De scheidsrechter zit tussen de spelers bij het net.
(het zijn er twee
woord-woord)
(a)
Schrijf het hele werkwoord op.
De directeur bewondert Desiree.
(a)
Schrijf het hele werkwoord op.
Hij gooit zelf ook graag een bal.
(a)
Schrijf het hele werkwoord op.
Alle mensen klappen enthousiast mee.
(a)
Kijk naar de laatste letter van het hele werkwoord. Doe dit min -en. Komt de laatste letter voor in het 't kofschip x?
ruilen
ja
nee
Kijk naar de laatste letter van het hele werkwoord. Doe dit min -en. Komt de laatste letter voor in het 't kofschip x?
gebeuren
(a)
Kijk naar de laatste letter van het hele werkwoord. Doe dit min -en. Komt de laatste letter voor in het 't kofschip x?
knippen
ja
nee
Kijk naar de laatste letter van het hele werkwoord. Doe dit min -en. Komt de laatste letter voor in het 't kofschip x?
haken
ja
nee
Kijk naar de laatste letter van het hele werkwoord. Doe dit min -en. Komt de laatste letter voor in het 't kofschip x?
boksen
ja
nee
Kijk naar de laatste letter van het hele werkwoord. Doe dit min -en. Komt de laatste letter voor in het 't kofschip x?
openen
ja
nee
Schrijf de verleden tijd van het werkwoord op.
Het hele werkwoord min -en. zit de laatste letter in het 't kofschip? Ja= t nee =d
(stam+de(n) of stam + te(n)).
Mijn neefjes voetballen bij een club.
(a)
Schrijf de verleden tijd van het werkwoord op.
Het hele werkwoord min -en. zit de laatste letter in het 't kofschip? Ja= t nee =d
(stam+de(n) of stam + te(n)).
De wedstrijd dreigt afgelast te worden door het slechte weer.
(a)
Schrijf de verleden tijd van het werkwoord op.
Het hele werkwoord min -en. zit de laatste letter in het 't kofschip? Ja= t nee =d
(stam+de(n) of stam + te(n)).
Bij korfbal mixen we de jongens en de meisjes.
(a)
Schrijf de verleden tijd van het werkwoord op.
Het hele werkwoord min -en. zit de laatste letter in het 't kofschip? Ja= t nee =d
(stam+de(n) of stam + te(n)).
De trainer eist dat iedereen op tijd komt.
(a)
Schrijf de verleden tijd van het werkwoord op.
Het hele werkwoord min -en. zit de laatste letter in het 't kofschp? Ja= t nee =d
(stam+de(n) of stam + te(n)).
De kogelstoter gooit de kogel met zijn linkerarm.
(a)
Schrijf de verleden tijd van het werkwoord op.
Het hele werkwoord min -en. zit de laatste letter in het 't kofschip? Ja= t nee =d
(stam+de(n) of stam + te(n)).
Zij vieren de overwinning met een feest.
(a)
Schrijf de verleden tijd van de persoonsvorm op.
Het hele werkwoord min -en. zit de laatste letter in het 't kofschip? Ja= t nee =d
(stam+de(n) of stam + te(n)).
Ik speel in het eerste voetbalteam van ons dorp.
(a)
Schrijf de verleden tijd van de persoonsvorm op.
Het hele werkwoord min -en. zit de laatste letter in het 't kofschip? Ja= t nee =d
(stam+de(n) of stam + te(n)).
's Nachts droom ik van een toekomst als voetballer.
(a)
Schrijf de verleden tijd van de persoonsvorm op.
Het hele werkwoord min -en. zit de laatste letter in het 't kofschip? Ja= t nee =d
(stam+de(n) of stam + te(n)).
Ik kop per ongeluk de bal over het net.
(a)
Schrijf de verleden tijd van de persoonsvorm op.
Het hele werkwoord min -en. zit de laatste letter in het 't kofschip? Ja= t nee =d
(stam+de(n) of stam + te(n)).
Mijn trainer fluistert iets in mijn oor.
(a)
Schrijf de verleden tijd van de persoonsvorm op.
Het hele werkwoord min -en. zit de laatste letter in het 't kofschp? Ja= t nee =d
(stam+de(n) of stam + te(n)).
Ik groei dit jaar wel zeven centimeter.
(a)
Welk woord past in de plaats van de gekleurde woorden?
Jeroen doet op een overdreven manier zijn best tijdens het voetballen.
slooft zich uit
mekkert
troeft hem
Welk woord past in de plaats van de gekleurde woorden?
Zijn moeder roept: 'Als het aan mij ligt, worden jullie kampioen'.
troeft hem af
mekkert
wat mij betreft
Welk woord past in de plaats van de gekleurde woorden?
Een vader zeurt tegen zijn zoon.
mekkert
heeft geen interesse in
troeft hem af
Welk woord past in de plaats van de gekleurde woorden?
De zoon wil niet veel weten van het spel.
wat mij betreft
heeft geen interesse in
mekkert
Welk woord past in de plaats van de gekleurde woorden?
De tegenstander wil Jeroen passeren, maar Jeroen pakt de bal af.
troeft hem af
mekkert
slooft zich uit
Welk woord past niet in de rij?
zich uitsloven - opscheppen - bescheiden
(a)
Welk woord past niet in de rij?
Aandacht - gapen - de interesse
(a)
Welk woord past niet in de rij?
Zwijgen - vragen - mekkeren
(a)
Welk woord past niet in de rij?
terechtwijzen - iemand aftroeven - aannemen
(a)
Welk woord past niet in de rij?
persoonlijk - wat mij betreft - volgens de buurman
(a)
Zoek het onderwerp in de zin.
Bob en Joris spelen voetbal.
(a)
Zoek het onderwerp in de zin.
Jij draagt een bitje tijdens hockey.
(a)
Zoek het onderwerp in de zin.
Dat moeten we altijd dragen.
(a)
Zoek het onderwerp in de zin.
Chiara gooit de bal naar Desiree.
(a)
Zoek het onderwerp in de zin.
Milan en Wiebe werken.
(a)
Zoek het onderwerp in de zin.
Aniek gooit de bal naar Liz.
(a)
Zoek het onderwerp in de zin.
Tess vangt de bal.
(a)
Zoek het onderwerp in de zin.
Hidde en Thijs zijn aan het voetballen.
(a)
Zoek het onderwerp in de zin.
Sela en Leah gaan morgen samen winkelen.
(a)
Zoek het onderwerp in de zin.
Noud laat Sofia heel erg schrikken.
(a)
Zoek het onderwerp in de zin.
Robbi vindt Iris heel erg aardig.
(a)
Zoek het onderwerp in de zin.
Lev zorgt er vaak voor dat de kinderen uit de klas lachen.
(a)
Zoek het onderwerp in de zin.
Iedereen uit de klas vindt dat Sophie super mooi kan tekenen.
(a)
Zoek het onderwerp in de zin.
Madee zet de bril van Meike op.
(a)
Schrijf de afkorting in woorden op.
Zij fietste de afstand in 3 min. precies.
(a)
Schrijf de afkorting in woorden.
Dat is gemiddeld 30 km p.u.
(a)
Schrijf de afkorting in woorden.
We trainen twee maal p.w.
(a)
Schrijf de afkorting in woorden.
m.u.v. de wintermaanden.
(a)
Schrijf de afkorting in woorden.
Ook oefenen we dan binnen i.p.v. buiten.
(a)
Schrijf de afkorting in woorden.
Er kunnen max. twintig kinderen meedoen.
(a)
Schrijf de afkorting in woorden.
De kosten p.p. zijn tien euro per maand.
(a)
Is het een denksport of doe je het met je lichaam?
lopen
lichaam
denksport
Is het een denksport of doe je het met je lichaam?
dammen
denksport
lichaam
Is het een denksport of doe je het met je lichaam?
Sjokken
lichaam
denksport
Is het een denksport of doe je het met je lichaam?
sprinten
lichaam
denksport
