wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Hoofdstuk 2

Total questions: 16

Worksheet time: 12mins

Name
Class
Date
1.

De belangrijkste informatie in een tekst noem je ...

a)

Hoofdzaken

b)

Bijzaken

c)

Grote zaken

d)

Informatiezaken

2.

Waar staan enkel bijzaken?

a)

Inleiding

b)

Slot

c)

voorbeeld

d)

titel

3.

Een spreekwoord kan je vinden in het woordenboek door de zin op te zoeken

a)

waar

b)

niet waar

4.

Is de volgende zin figuurlijk of letterlijk?

Hij zit met zijn handen in het haar, omdat hij er een stuk kauwgum uit probeert te halen.

a)

Figuurlijk

b)

Letterlijk

5.

Hij zet de bloemetjes buiten, want daar krijgen ze meer zonlicht.

a)

Figuurlijk

b)

Letterlijk

6.

Daarmee is de kous af, ik heb genoeg van jullie gezeur.

a)

Figuurlijk

b)

Letterlijk

7.

Wat betekent dit woord?

huidige

a)

waar je nu bent

b)

waar je in de toekomst zal zijn

c)

waar je in het verleden was

d)

waar je nooit zal zijn

8.

Wat betekent verkennen?

a)

iemand niet heel goed kennen

b)

iemand verlinken

c)

niet geïnteresseerd zijn

d)

rondkijken om te ontdekken hoe het is

9.

Zalinka wil graag wat suiker over haar aardbeien.

Welk woordsoort zit niet in deze zin?

a)

werkwoord

b)

lidwoord

c)

zelfstandig naamwoord

d)

voorzetsel

10.

Volgens mijn oude en lieve oma is zelfgemaakte appelstroop gezond broodbeleg.

Hoeveel bijvoeglijke naamwoorden staan in deze zin?

a)

2

b)

3

c)

4

d)

5

11.

Mijn telefoon is aan het piepen en kraken als ik 'm opstart.

Hoeveel werkwoorden staan in deze zin?

a)

1

b)

2

c)

3

d)

4

12.

Omdat de zon schijnt, wil hij een ijsje

Welk voegwoord staat in deze zin?

(a)  

13.

Wil je morgen afspreken of vrijdag pas?

Welk voegwoord staat in deze zin?

(a)  

14.

Terwijl ik mijn haar vlecht, doet mijn zusje mijn make-up.

Welk voegwoord staat in deze zin?

(a)  

15.

Wanneer schrijf je geen hoofdletters?

a)

Bij een land

b)

Bij een merk

c)

Bij een maand

d)

Bij een taal

16.

Wanneer gebruik je een komma?

a)

voor het woord 'en'

b)

voor een voegwoord

c)

na een voegwoord