WorksheetsVocabolario
Total questions: 17
Worksheet time: 3mins
Name
Class
Date
1.
la residenza
a)
de woning
b)
de woonplaats
c)
de wijk
d)
het appartement
2.
la zia
a)
de tante
b)
de oma
c)
de nicht
d)
de zus
3.
la cipolla
a)
de prei
b)
de courgette
c)
de ui
d)
de peterselie
4.
la spesa
a)
de rekening
b)
de uitgave
c)
de korting
d)
de boodschap
5.
l'impiegata
a)
de serveerster
b)
de bediende
c)
de verpleegster
d)
de lerares
6.
il commesso
a)
de winkelbediende
b)
de architect
c)
de verpleger
d)
de ober
7.
il temporale
a)
de weersvoorspelling
b)
de storm
c)
de tijd
d)
het moment
8.
il cugino
a)
de neef
b)
de keuken
c)
de oom
d)
de opa
9.
il tovagliolo
a)
het mes
b)
de lepel
c)
het tafellaken
d)
het servet
10.
caldo
a)
koud
b)
bitter
c)
zuur
d)
warm
11.
piovoso
a)
mistig
b)
regenachtig
c)
vochtig
d)
frisjes
12.
ieri
a)
vandaag
b)
gisteren
c)
morgen
d)
eergisteren
13.
dove
a)
wanneer
b)
van waar
c)
hoe
d)
waar
14.
quale
a)
hoe veel
b)
welke
c)
wie
d)
wat
15.
ascoltare
a)
wandelen
b)
zien
c)
luisteren
d)
onderzoeken
16.
nevicare
a)
sneeuwen
b)
regenen
c)
vriezen
d)
hagelen
17.
andare
a)
hebben
b)
komen
c)
gaan
d)
wonen
100 %
