wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Poëzie

Total questions: 20

Worksheet time: 10mins

Name
Class
Date
1.

Wat zijn kenmerken van gedichten? Er zijn meerdere antwoorden mogelijk.

a)

er is iets bijzonders gedaan met ritme, klank en betekenis

b)

vaak zijn dingen letterlijk bedoeld

c)

de dichter bepaalt de lengte van de regel

d)

de laatste woorden van de regel rijmen altijd op elkaar

2.

Als je een rijmschema maakt, dan let je alleen op:

a)

middenrijm

b)

eindrijm

c)

alliteratie

d)

assonantie

e)

alles wat hier genoemd wordt

3.

De onderstreepte woorden vormen:


Als de zon en ook mijn vrienden

zijn verdwenen

struin ik nog buiten rond.

Achter raam na raam na raam

Sluiten gordijnen en gaan lampen aan.

Op straat wordt het snel later

Als elk venster zijn verhaal vertelt

in mijn schaduwstraattheater.

a)

alliteratie

b)

assonantie

c)

binnenrijm

d)

eindrijm

4.

In welke woorden kom je assonantie tegen?


Als de zon en ook mijn vrienden

zijn verdwenen

struin ik nog buiten rond.

Achter raam na raam na raam

Sluiten gordijnen en gaan lampen aan.

Op straat wordt het snel later

Als elk venster zijn verhaal vertelt

in mijn schaduwstraattheater.

a)

struin en buiten

b)

achter en raam

c)

venster en verhaal

d)

verhaal en vertelt

5.

Welk rijmschema zien we hier?


Er was een bij te 's-Gravenhage

die antwoord wist op alle vragen.

Toen men hem moeielijk genoeg

‘Wat was was eer was was was?’ vroeg,

werd hij de winnaar van de quiz

met ‘Eer was was was was was is.’

a)

aa bb cc

b)

ab ba cc

c)

ab ab cc

d)

aa bc cb

6.

Het schema ABBA CDDC is een voorbeeld van:

a)

gepaard rijm

b)

omarmend rijm

c)

gekruist rijm

d)

binnenrijm

7.

Welke stijlfiguur herken je in ieder vers?

a)

Alliteratie

b)

Binnenrijm

8.

Welke stijlfiguur herken je?

a)

Alliteratie

b)

Binnenrijm

9.

Welke stijlfiguur herken je?

a)

Alliteratie

b)

Binnenrijm

10.

Ik ben geboren uit zonnegloren.

a)

alliteratie

b)

binnenrijm

11.

De wind floot door de takken.

a)

vergelijking

b)

hyperbool

c)

metafoor

d)

personificatie

12.

Zij lachte zich dood.

a)

hyperbool

b)

eufemisme

c)

climax

d)

paradox

13.

Kijk, de zon gaat onder, het meer staat in brand.

a)

vergelijking

b)

apostrof

c)

metafoor

d)

personificatie

14.

ogen luistert, spraken de oren.

a)

metafoor

b)

woordspeling

c)

anafoor

d)

personificatie

15.

's Nachts staat er een zilveren sikkel aan de hemel.

a)

metafoor

b)

hyperbool

c)

personificatie

d)

antithese

16.

Welk metrum herken je? "Hij komt, hij komt, de lieve goede sint"

a)

jambe

b)

trochee

17.

Welk metrum herken je?

"Laat maar", zei hij tegen Hare Majesteit.

a)

jambe

b)

trochee

18.

Wat is geen kenmerk van een rondeel?

a)

Vast aantal verzen

b)

eindrijm

c)

refrein

d)

klaagzang

19.

Wat is beeldspraak? Duid alle juiste antwoorden aan.

a)

metafoor

b)

anafoor

c)

apostrof

d)

personificatie

20.

Welke stijlfiguur zie je hier?

a)

metafoor

b)

alliteratie

c)

anafoor

d)

onomatopee