wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

3 VWO krachten nova H3

Total questions: 30

Worksheet time: 17mins

Name
Class
Date
1.

een massa van 50 kg heeft een zwaartekracht van

a)

50N

b)

500N

c)

5000N

d)

50000N

2.

Wat is het formule om het gewicht te berekenen?

a)

Gewicht = kracht x massa

b)

Gewicht = massa x valversnelling

c)

Gewicht = valversnelling x kracht

d)

Gewicht = snelheid x tijd

3.

Een ander naam voor nettokracht is resultante kracht.

a)

Waar

b)

Niet waar

4.

Een kracht heeft een grootte, een richting en een aangrijpings-punt.

a)

Waat

b)

Niet waar

5.
Welke van de volgende grootheden hebben NIET de eenheid Newton?
a)
Gewicht
b)
Massa
c)
Grafitatiekracht
d)
Zwaartekracht
6.
Een appel ligt op de tafel.
Welke krachten werken er op de appel?
a)
zwaartekracht
b)
gewicht
c)
zwaartekracht en gewicht
d)
zwaartekracht en normaalkracht
7.
Een parachutespringer valt met constante snelheid. Wat weet je van de nettokracht
a)
Gelijk aan de zwaartekracht
b)
Gelijk aan het gewicht
c)
nul
d)
is lastig te zeggen
8.
En tennisbal en een bowlingbal vallen van 2 meter hoogte. Wrijving is verwaarloosbaar. Welke is eerder beneden
a)
De tennisbal, want die is kleiner
b)
De bowlingbal, want die is zwaarder
c)
Tegelijk, want de versnelling is gelijk
d)
tegelijk, want de krachten zijn gelijk
9.

WAAR of NIET WAAR:


Als de versnelling negatief is, dan noem je dit vertraging

a)

WAAR

b)

NIET WAAR

10.

WAAR of NIET WAAR:


De rolwrijving wordt groter bij een grotere snelheid.

a)

WAAR

b)

NIET WAAR

11.

WAAR of NIET WAAR:


Als op een voorwerp geen krachten meer werken, remt het voorwerp af.

a)

WAAR

b)

NIET WAAR

12.

Bij een stilstaande auto is de netto-kracht op de auto nul.

a)

waar

b)

niet waar

13.

Een voorwerp voorwerp beweegt met een constante snelheid in een cirkelbaan. Wat weet je van de nettokracht.

a)

Die is nul, want de snelheid is constant.

b)

Die is naar het midden van de cirkelbaan gericht

c)

Die is naar buiten toe gericht.

d)

Die is in de bewegingsrichting, anders zou de snelheid afnemen

14.

Je draait een steen aan een touw rond in het horizontale vlak. Welke kracht zorgt er voor dat de steen in een cirkelbaan blijft bewegen

a)

De middelpuntzoekende kracht

b)

De zwaartekracht

c)

De spankracht

d)

De normaalkracht

15.

Drie kinderen spelen op een draaischijf in de speeltijd. Welke kracht zorgt er voor dat de kinderen niet van deze schijf afvallen als die draait?

a)

Middelpuntzoekende kracht

b)

Normaalkracht

c)

zwaartekracht

d)

Wrijvingskracht

16.

Daar zijn ze weer. Op welk kind is de benodigde middelpuntzoekende kracht het grootst.

a)

Meisje in roze

b)

Jongetje in het midden

c)

Jongetje met de pet

d)

Op alle kinderen even groot

17.

Is ons gewicht op de aarde hetzelfde als op de maan?

a)

Ja

b)

Nee

18.

Verandert de massa van een lichaam als we het met een raket naar de maan zouden brengen?

a)

Ja

b)

Nee

19.

Een ander woord voor tijdelijke vervorming is ...

a)

elastische vervorming

b)

plastische vervorming

20.

Een ander woord voor permanente vervorming is ...

a)

elastische vervorming

b)

plastische vervorming

21.

Welke kracht zorgt voor het vervormen van de spons?

a)

spierkracht

b)

zwaartekracht

c)

veerkracht

d)

wrijvingskracht

e)

elektrostatische kracht

22.

Welke kracht zorgt voor het bewegen van de schaatser?

a)

spierkracht

b)

zwaartekracht

c)

veerkracht

d)

wrijvingskracht

e)

elektrostatische kracht

23.

Welke kracht werkt in op de auto?

a)

zwaartekracht

b)

gewicht

c)

elektrostatische kracht

d)

magnetische kracht

e)

wrijvingskracht

24.

Zwaartekracht werkt omhoog.

a)

Waar

b)

Niet waar

25.

Krachten kunnen het volgende effect(ten) hebben op een object:

a)

elastisch vervorming

b)

kleur verandering

c)

beweging

d)

temperatuur verandering

26.

Voor een kracht op een voorwerp is altijd contact met dat voorwerp nodig

a)

juist

b)

onjuist

27.

Krachten kunnen de snelheid van een voorwerp wel vergroten, maar niet van richting veranderen

a)

juist

b)

onjuist

28.

Is de snelheid constant, dan is de nettokracht nul

a)

juist

b)

onjuist

29.
Een appel ligt op de tafel.
Welke krachten werken er op de appel?
a)
zwaartekracht
b)
gewicht
c)
zwaartekracht en gewicht
d)
zwaartekracht en normaalkracht
30.
Een parachutespringer valt met constante snelheid. Wat weet je van de nettokracht
a)
Gelijk aan de zwaartekracht
b)
Gelijk aan het gewicht
c)
nul
d)
is lastig te zeggen