wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Vakkenmix 27-01-2022

Total questions: 47

Worksheet time: 27mins

Name
Class
Date
1.

25-50- ..?..-100-125

a)

75

b)

150

c)

0

2.
Hoeveel maanden zitten er in één jaar?
a)
10
b)
12
c)
14
d)
24
3.
In welke maand vieren we Kerstmis?
a)
Januari
b)
September
c)
December
d)
Juli
4.
Wat is de derde maand van het jaar? 
a)
April
b)
Augustus
c)
November
d)
Maart
5.
Wat is de vijfde maand van het jaar?
a)
Februari
b)
Mei
c)
Juni
d)
September
6.
Welk seizoen wordt hier bedoeld? 
a)
Lente
b)
Zomer
c)
Augustus
d)
Mei
7.
Hoeveel dagen heeft februari in een normaal jaar?
a)
28
b)
29
c)
30
d)
31
8.
Hoeveel dagen heeft april?
a)
28
b)
29
c)
30
d)
31
9.

4000 : 80

(a)  

10.

2100 : 30

(a)  

11.

3600 : 900

(a)  

12.

96 : 8

(a)  

13.

36 X 100 = ?

a)

360

b)

36000

c)

3600

d)

0,36

14.

6 X 25 = ?

a)

125

b)

150

c)

175

d)

200

15.

17 X 11 = ?

a)

177

b)

181

c)

187

d)

193

16.

54 X 9 = ?

a)

486

b)

421

c)

436

d)

506

17.

1 pak zout

a)

500 g

b)

1 kg

c)

1 ton

d)

250 g

18.

wat past bij deze afbeelding?

a)

4 km

b)

4 dm

c)

4 m

19.

wat past bij deze afbeelding?

a)

10 cl

b)

10 ml

c)

10 l

20.

vul aan.

ik drink elke dag 1 … water.

dat is gezond.

a)

cl

b)

l

c)

ml

21.

wat is de inhoud?

a)

minder dan 1 l

b)

juist 1 l

c)

meer dan 1 l

22.

wat is de inhoud?

a)

minder dan 1 l

b)

juist 1 l

c)

meer dan 1 l

23.

De ..................... schade was enorm.

a)

aangerichtte

b)

aangerichte

c)

aangerichten

d)

aangerichtten

24.

Er ontstond een rel over de ........................ konijnen.

a)

afgeslachten

b)

afgeslachtten

c)

afgeslachte

d)

afgeslachtte

25.

De ................ held werd wereldberoemd.

a)

gedoodde

b)

gedode

c)

gedoden

d)

gedoodden

26.

De ................ foto werd in de hal opgehangen.

a)

vergrootte

b)

vergrootten

c)

vergroten

d)

vergrote

27.

Zij kreeg de .................... ketting van oma.

a)

goude

b)

gouden

c)

goud

28.

Mijn broer kocht een .................. tafel.

a)

ovaal

b)

ovale

c)

ovalen

29.
Een (mooi) ..................... jas.
a)
mooie
b)
mooi
c)
mooien
30.
De (blauw) .................. jas.
a)
blauwe
b)
blauw
c)
blauwen
31.

Wat is de pv: Mijn vader viert zijn verjaardag morgen.

a)

Mijn vader

b)

viert

c)

zijn

d)

morgen

32.

Wat is de pv: Wat is jouw naam?

a)

Wat

b)

is

c)

jouw

d)

naam

33.

Wat is de pv: Ik help jou altijd op vrijdag.

a)

Ik

b)

help

c)

jou

d)

op vrijdag

34.

Wat is de pv: Ik doe altijd mijn best tijdens toetsen.

a)

mijn best

b)

toetsen

c)

doe

d)

Ik

35.
Zoek het onderwerp in deze zin.
Harry Potter gaat voor het eerst naar Zweinstein.
a)
Harry Potter
b)
Zweinstein
c)
gaat
d)
eerst
36.
Zoek in deze zin het onderwerp.
De uil bezorgt een brief.
a)
een brief
b)
de uil
c)
bezorgt
d)
een
37.
Zoek het voegwoord in deze zin.
Harry zwaait naar Ron en tovert een grote zak met salamanders uit zijn bureau.
a)
uit
b)
met
c)
en
d)
naar
38.
Het onderwerp is een hele zin
a)
Juist
b)
Onjuist
39.

Wat is de bron van de tekst?

a)

rood met witte strepen

b)

www.artsenzondergrenzen.nl

c)

Artsen zonder Grenzen

d)

Tekst 1

40.

Welke functie heeft de inleiding van een tekst meestal?

(a)  

41.

Wat lees je vaak in het slot (eind) van een tekst? Vink aan:

a)

Samenvatting

b)

Inleiding

c)

Conclusie

(soort uitslag van een onderzoek)

42.

Waar staat de bron van een tekst?

a)

Bovenaan naast de titel

b)

Onderaan de tekst

c)

Dat staat nooit bij de tekst

43.
Wat moet je als eerst doen als je een tekst leest?
a)

Naar titel, Tussenkopjes, plaatjes, inleiding en slot kijken. 

b)
De tekst lezen.
c)

Naar plaatjes, bronnen en titel kijken.

d)
Naar de vragen kijken. 
44.

Wat is een alinea?

a)

Dit noemen we ook wel het onderschrift.

b)

De 'naam' van de tekst. Staat altijd helemaal bovenaan en is vaak dik gedrukt.

c)

Een stukje tekst in de tekst. Het heeft vaak een eigen onderwerp.

45.

Bij welk verband hoort het signaalwoord: maar

a)

Opsomming

b)

Tegenstelling

c)

Tijd

46.

Welk verband staat in de volgende zin:


Normaal vind ik verbanden erg lastig, maar na deze les snapte ik het wel.

a)

Tegenstelling

b)

Tijd

c)

Opsomming

47.

Welk verband staat in de volgende zin:


In dat huis wonen mensen, verder wonen er katten en honden.

a)

Opsomming

b)

Tegenstelling

c)

Tijd