wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Regeling T5

Total questions: 40

Worksheet time: 32mins

Name
Class
Date
1.

Wat is een voorbeeld van een prikkel?

a)

Oog

b)

Zien

c)

Licht

2.

Wat is een voorbeeld van een zintuig?

a)

Oor

b)

Horen

c)

Geluid

3.

Welk type is een bewegingszenuwscel?

a)

Type 1

b)

Type 2

c)

Type 3

4.

In welk richting gaan de impulsen van type 1 naartoe?

a)

Richting P

b)

Richting Q

5.

Impulsen gaan vanuit een huidzintuig naar het ruggenmerg via de ..............

a)

gevoelszenuwcellen

b)

bewegingszenuwcellen

c)

schakelcellen

6.

Impulsen gaan vanuit de grote hersenen naar de teenspieren via de ..............

a)

gevoelszenuwcellen

b)

bewegingszenuwcellen

c)

schakelcellen

7.

Welk type zenuwcellen liggen in het CZS? (meerdere antwoorden mogelijk)

a)

Gevoelszenuwcellen

b)

Bewegingszenuwcellen

c)

Schakelcellen

8.

In een gemengde zenuw liggen er geen .......

a)

gevoelszenuwen

b)

bewegingszenuwen

c)

schakelcellen

9.

Waar komen in het ruggenmerg de impulsen aan die afkomstig zijn van zintuigen?

a)

Aan de rugzijde

b)

Aan de buikzijde

10.

Waar verlaten impulsen het ruggenmerg?

a)

Rugzijde

b)

Buikzijde

11.

Waar ligt de witte stof van het ruggenmerg?

a)

In de schors

b)

In de merg

c)

Zowel in de schors als in de merg

12.

Waar ligt de witte stof van de hersenen?

a)

In de schors

b)

In de merg

c)

Zowel in de schors als in de merg

13.

Waar liggen de gevoelszenuwcellen in het ruggenmerg? (schrijf alleen 1 woord op)

(a)  

14.

Hoe heet onderdeel 8?

(a)  

15.

In welk nummer liggen de bewegingszenuwcellen? (schrijf ALLEEN een nummer op)

(a)  

16.

Hoe kan je de rugzijde van het ruggenmerg herkennen? (meerdere antwoorden zijn mogelijk)

a)

Aan de zenuwknoop

b)

Aan de holte

c)

Aan de gevoelszenuwen

d)

Aan de bewegingszenuwen

17.

Wat ligt in de witte stof?

a)

Cellichamen van schakelcellen

b)

Cellichamen van bewegingszenuwcellen

c)

Uitlopers van schakelcellen

d)

Uitlopers van bewegingszenuwcellen

18.

Welk deel van het centrale zenuwstelsel zorgen voor het constant houden van de lichaamstemperatuur?

a)

De grote hersenen

b)

De kleine hersenen

c)

Hersenstam

d)

Ruggenmerg

19.

Welk deel van het centrale zenuwstelsel krijgt minder impulsen als je veel hebt gedronken en niet recht kunt lopen?

a)

De grote hersenen

b)

De kleine hersenen

c)

Hersenstam

d)

Ruggenmerg

20.

Welk deel van het centrale zenuwstelsel is beschadigd als je niet meer goed kunt zien?

a)

De grote hersenen

b)

De kleine hersenen

c)

Hersenstam

d)

Ruggenmerg

21.

Welk deel van het centrale zenuwstelsel zorgt voor bewustwording?

a)

De grote hersenen

b)

De kleine hersenen

c)

Hersenstam

d)

Ruggenmerg

22.

Welke weg is langer?

a)

Reflex

b)

Bewuste reactie

23.

Hier is er sprake van een ......

a)

Bewuste reactie

b)

Reflex

24.

Welke zenuwcellen zijn direct verbonden tijdens een reflex?

a)

Gevoelszenuwcellen en schakelcellen

b)

Gevoelszenuwcellen en bewegingszenuwcellen

c)

Schakelcellen en bewegingszenuwcellen

25.
Het zenuwstelsel bestaat uit:
a)
hersenen en zenuwen
b)
hersenen en ruggenmerg
c)
hersenen en perifere zenuwen
d)
hersenen, ruggenmerg en zenuwen
26.

Wat is geen onderdeel van het centraal zenuwstelsel?

a)

Hersenen

b)

Zenuwen

c)

Hersenstam

d)

Ruggenmerg

27.

Wat voor zenuwcel is dit?

a)

Gevoelszenuwcel

b)

Bewegingszenuwcel

c)

Schakelcel

28.

Wat voor zenuwcel is dit?

a)

Gevoelszenuwcel

b)

Bewegingszenuwcel

c)

Schakelcel

29.

Waar bevindt het cellichaam van de bewegingszenuwcel?

a)

Bij de spieren

b)

In het centraal zenuwstelsel

c)

Bij de zintuigen

30.

Waar liggen de cellichamen van de schakelcellen en de bewegingscellen?

a)

In de grijze stof

b)

In de witte stof

c)

In de ruggenmergzenuw

d)

In de zenuwknoop

31.
Wat is een voorbeeld van een reflex?
a)
Terugduwen
b)
Trappen tegen een bal
c)
Kijken naar een film
d)
Het knipperen van je ogen
32.
Wat is een Reflexboog?
a)
Een boog van reflexen 
b)
De weg die impulsen bij een reflex afleggen
c)
De spanning tussen reflexen
d)
De ruggenmerg
33.

Waar/niet waar. Je oogzenuw hoort bij je centrale zenuwstelsel.

a)

Waar

b)

Niet waar

34.

Zintuigen zetten .... 1...... om in .....2 ......

a)

1= impuls 2= zenuwen

b)

1= zenuwen 2= prikkel

c)

1= prikkel 2= impuls

d)

1= prikkel 2= hormonen

35.

Hoe heet het onderdeel bij nummer 1?

a)

Bewegingszenuwcel

b)

Gevoelszenuwcel

c)

Schakelcel

d)

Prikkel

e)

Gemengde zenuw

36.

Hoe heet het onderdeel bij nummer 2?

a)

Bewegingszenuwcel

b)

Gevoelszenuwcel

c)

Schakelcel

d)

Prikkel

e)

Gemengde zenuw

37.

Wat is het verschil tussen een bewuste reactie en een onbewuste reactie (reflex)?

a)

Bij een reflex voel je eerst de pijn en daarna maak je de beweging

b)

Bij een reflex maak je eerst de beweging en daarna voel je pas de pijn

38.
Welke weg leggen impulsen af bij een reflexboog?
a)
Gevoelszenuwcel->schakelcel->grote hersenen->schakelcel_.bewegingszenuwcel
b)
Gevoelszenuwcel->schakelcel->hersenstam ->schakelcel_.bewegingszenuwcel
c)
Gevoelszenuwcel->schakelcel->bewegingszenuwcel
39.
In informatie 3.1 is sprake van uitlopers van zenuwcellen. Hoe heten die zenuwcellen?
a)
bewegingszenuwcellen
b)
gevoelszenuwcellen
c)
schakelzenuwcellen
40.
Welke opmerking over impulsen is juist?
a)
Impulsen laten zintuigen reageren.
b)
 Impulsen bevatten informatie over de situatie buiten het lichaam.
c)
 Impulsen kunnen ontstaan in zintuigen.
d)
 Impulsen gaan altijd naar spieren toe.