WorksheetsHavo examenidioom ch 1-5
Total questions: 17
Worksheet time: 12mins
Name
Class
Date
1.
ancestor
a)
nageslacht
b)
voorouder
c)
familielid
d)
grootouders
2.
to alienate
a)
vervreemden
b)
verwijderen
c)
emigreren
d)
een marsmannetje immiteren
3.
deceased
a)
bedacht
b)
opgehouden
c)
besloten
d)
overledene
4.
proficient
(a)
5.
punctual
a)
nauwkeurig
b)
op tijd aanwezig
c)
kritisch
d)
negatief
6.
sustainability
a)
houdbaarheid
b)
acceptabel
c)
werkbaarheid
d)
aanvaardbaarheid
7.
rooster
(a)
8.
to digest
a)
accepteren
b)
verdelen
c)
verteren
d)
bedenken
9.
to reconcile
a)
zich herinneren
b)
verzoenen
c)
oplossen
d)
verbinden
10.
spuit
(a)
11.
condescending
a)
begripvol
b)
afkeurend
c)
opbouwend
d)
neerbuigend
12.
daunting
a)
ontmoedigend
b)
zonsopgang
c)
verrassend
d)
onheilspellend
13.
keen
(a)
14.
rigorous
a)
gigantisch
b)
streng
c)
foutief
d)
oppervlakkig
15.
to encompass
a)
omvatten
b)
begrijpen
c)
vasthouden
d)
doorzien
16.
consistently
(a)
17.
distinct
(a)
100 %
