wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

2c - Duurzaamheid

Total questions: 24

Worksheet time: 13mins

Name
Class
Date
1.

Minder vlees eten is goed voor de planeet?

Waarom?

a)

Vlees legt een kleinere belasting op het milieu

b)

Vlees legt een grotere belasting op het milieu

c)

Uitstoot van broeikasgassen is groter door vleesproductie

d)

Uitstoot van broeikasgassen is groter bij plantaardige productie

2.

Fossiele brandstoffen zijn energiebronnen/brandstoffen die niet vervuilen en nooit opraken.

a)

Waar

b)

Niet waar

3.

Op welke manieren kun je de uitstoot van CO2 omlaag brengen?

a)

Door energie te besparen.

b)

Door duurzame/hernieuwbare energiebronnen te gebruiken.

c)

Door fossiele brandstoffen te gebruiken.

4.

Welke duurzame energiebron zie je op de foto?

a)

windenergie

b)

zonne-energie

c)

hydro-elektriciteit

d)

geothermische energie

e)

biomassa

5.

Het broeikaseffect waar de natuur zelf voor zorgt met een gemiddelde temperatuur van 18 graden Celsius.

a)

natuurlijk broeikaseffect

b)

versterkt broeikaseffect

6.

Welke fossiele brandstof wekt in Nederland de meeste energie op?

a)

Steenkool

b)

Aardgas

c)

Aardolie

7.

Wat is de energietransitie?

a)

Helemaal geen energie meer gaan gebruiken.

b)

Nooit meer in de auto rijden.

c)

Overstappen naar fossiele energiebronnen.

d)

Overstappen naar duurzame energie.

8.

Waar of niet waar?

Het OV gebruiken is beter voor het milieu ten opzichte van auto rijden.

a)

Waar

b)

Niet waar.

9.

Wat is geothermie?

a)

Zonnepanelen bouwen in fabrieken die gebruik maken van zonne-energie

b)

Plaatselijk de grond warm maken om de huizen in een wijk te verwarmen.

c)

Gebruikmaken van de warmte van de aarde om energie op te wekken.

10.

Wat is geen fossiele brandstof?

a)

benzine

b)

hout

c)

aardgas

d)

zon

11.

Welk van onderstaande is geen fossiele brandstof?

a)

Olie

b)

Gas

c)

Biomassa

d)

Kolen

12.
Bij het versterkt broeikaseffect komen er minder/meer broeikasgassen in de lucht
a)
Minder
b)
Meer
13.

Is deze stelling juist?:

"Het wordt kouder op aarde door het versterkte broeikaseffect"

a)

juist

b)

onjuist

14.

welk gas zorgt voor een versterkt broeikaseffect?

a)

zuurstof

b)

lucht

c)

koolstofdioxide

d)

waterstof

15.

Wat is de minst ecologische manier van reizen?

a)
b)
c)
d)
16.

Rijke landen stoten meer CO2 uit dan arme landen. Maar arme landen hebben meer last van de klimaatverandering.

Stelling: Rijke landen moeten arme landen helpen, met geld, om zich te beschermen tegen klimaatverandering.

a)

Ja, natuurlijk

b)

Nee, Nederland heeft zelf het geld hard nodig

c)

Nee, Het is niet mijn schuld dus ik zou er niet voor moeten betalen

d)

pfff.. dat is lastige... een beetje misschien?

17.

Wat is het begrip recyclen?

a)

Voedsel bewaren inplaats van recyclen

b)

Het hergebruiken van de grondstoffen in afgedankte producten zoals; blikjes, plastic, papier enzovoort

c)

Het brengen van vuilnis naar een vuilnisbelt

18.

koude periode waarin de gemiddelde temperatuur op aarde een paar graden daalt en waarin zich op het land uitgestrekte ijskappen vormen

a)

interglaciaal

b)

glaciaal

c)

firn

d)

gletsjertijd

19.

Bestaat de Noordpool uit landijs of zee-ijs? En de Zuidpool?

a)

De Noordpool en de Zuidpool bestaan beide uit landijs.

b)

De Noordpool bestaat uit landijs. De Zuidpool uit zee-ijs.

c)

De Noordpool bestaat uit zee-ijs. De Zuidpool uit landijs.

d)

De Noordpool en de Zuidpool bestaan beide uit zee-ijs.

20.

welke vorm van energie is een fossiele brandstof?

a)

windenergie

b)

zonne-energie

c)

aardolie

d)

kernenergie

21.

Noem een reden waarom de voedselafdruk stijgt.

(a)  

22.

Waarom draagt het smelten van de permafrost laag bij aan een versterkte broeikaseffect?

(a)  

23.

Eén reden waarom de zeespiegel zal stijgen door opwarming van de aarde is het smelten van sneeuw en ijs op de wereld.

-> Wat is de andere reden?

(a)  

24.

Goed of fout: klimaatverandering zorgt er voor dat de gehele wereld een stuk droger zal worden.

a)

Goed

b)

Fout