wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

2BKGT Lezen H 4, 5, 6

Total questions: 60

Worksheet time: 28mins

Name
Class
Date
1.

Waarmee kun je het eens of oneens zijn?

a)

Een argument

b)

Een feit

c)

Een mening

2.

Waar is het woord 'namelijk' een signaalwoord voor?

a)

Een argument

b)

Een feit

c)

Een mening

3.

Lees tekst 1


Wat is het onderwerp van tekst 1?

a)

Bestverkopende dansgame

b)

Just Dance Best Of

c)

Moderne artiesten

d)

Topartiest

4.

Waarom staat in de laatste zin van alinea 1 'de beste' tussen aanhalingstekens?

a)

Omdat het om de bestverkopende dansgame ooit gaat (alinea 1)

b)

Omdat het nooit vast te stellen is wat de beste nummers zijn (alinea 3)

c)

Omdat de makers na drie delen de besturing goed onder de knie hebben (alinea 4)

d)

Omdat de selectie nummers beter is dan in welke andere game voor de wii ook (alinea5)

5.

Past het tussenkopje boven alinea 3 goed bij alinea 3?

a)

Ja, want alinea 3 gaat helemaal over de moderne artiesten.

b)

Nee, want als je de eerdere delen al gespeeld hebt, zijn de artiesten niet modern meer

c)

Ja, want als je nog nooit eerder Just Dance hebt gespeeld zijn de artiesten heel modern

d)

Nee, want in alinea 3 geeft de schrijver zijn mening over Just Dance Best Of

6.

Wat is de mening uit alinea 4?

a)

De makers hebben na drie delen de besturing goed onder de knie

b)

De bewegingen zien er realistisch uit

c)

De achtergronden bewegen goed mee

d)

Het is gemakkelijk om naar een ander dansnummer te gaan

7.

Hoeveel argumenten worden in alinea 4 genoemd?

a)

1

b)

2

c)

3

d)

4

8.

Is de eerste zin van alinea 5 (Bovendien is . . . Wii ook) een mening, een argument, of een feit?

a)

Een mening

b)

Een argument

c)

Een feit

9.

Is de tweede zin van alinea 5 (Niet voor . . . de toonbank.) een mening, een argument of een feit

a)

Een mening

b)

Een argument

c)

Een feit

10.

In de laatste zin van alinea 3 zegt de schrijver: 'Dan is dit misschien wel de beste keus van dit moment'. Welk argument geeft hij daarvoor?

a)

Er staan liedje op van moderne artiesten

b)

Er zijn twee nummers die nog niet eerder voor de Wii zijn verschenen

c)

Als de game goedkoper was, was het een goede keuze.

d)

Als je nog geen dansgame hebt en je wil er graag eens aan beginnen.

11.

Wie zou dit spel moeten kopen volgens de schrijver?

a)

gamers die maar één Just Dance-game hebben.

b)

gamers die nog geen Just Dance-game hebben

c)

gamers die een punt bij het cijfer voor de game willen optellen

d)

gamers die dertig euro willen betalen voor de game

12.

Wat staan er vooral in tekst 1?

a)

feiten

b)

meningen

c)

feiten en meningen

d)

geen van beide

13.

Wat is het doel van tekst 1?

a)

De schrijver wil de lezer zijn mening geven

b)

De schrijver wil de lezer iets laten doen

c)

De schrijver wil de lezer iets uitleggen

d)

De schrijver wil de lezer informeren

14.
Het onderwerp van de tekst beschrijf je
a)
Zo kort mogelijk
b)
Zo uitgebreid mogelijk
c)
In drie zinnen
d)
Niet
15.
Waar vind je het onderwerp van een tekst?
a)
In het middenstuk
b)
In de eerste alinea
c)
In de inleiding
d)
In het slot
16.
Wat moet je als eerst doen als je een tekst leest?
a)
Naar plaatjes, bron, titel, inleiding en slot kijken. 
b)
De tekst lezen.
c)
Naar plaatjes, bron en titel kijken.
d)
Naar de vragen kijken. 
17.
Vaak worden er in het middenstuk verschillende delen van het onderwerp besproken. Dit noemen we
a)
alinea's
b)
inleiding
c)
tussenkopjes
d)
deelonderwerpen
18.

Wat is de bron van een tekst

a)

Geeft aan waar een tekst vandaan komt

b)

De aanleiding van de tekst

c)

Het slot van de tekst

d)

De conclusie

19.

Als je een tekst beoordeelt op betrouwbaarheid doe je dat aan de hand van de volgende drie criteria:

a)

objectiviteit, deskundigheid en causaliteit

b)

objectiviteit, actualiteit en populariteit

c)

actualiteit, objectiviteit en deskundigheid

d)

causaliteit, leesbaarheid en actualiteit

e)

leesbaarheid, deskundigheid en objectiviteit

20.

Waaruit bestaat betrouwbare informatie?

a)

Feiten

b)

Feiten en meningen

c)

Meningen

21.

Wat is een alinea?

a)

Dit noemen we ook wel het onderschrift.

b)

De 'naam' van de tekst. Staat altijd helemaal bovenaan en is vaak dik gedrukt.

c)

Een stukje tekst in de tekst. Het heeft vaak een eigen onderwerp.

22.

Bij welk verband hoort het signaalwoord: toen

a)

Tijd

b)

Opsomming

c)

Tegenstelling

23.

Bij welk verband hoort het signaalwoord: maar

a)

Opsomming

b)

Tegenstelling

c)

Tijd

24.

Bij welk verband hoort het signaalwoord: Bovendien

a)

Opsomming

b)

Tegenstelling

c)

Tijd

25.

Bij welk verband hoort het signaalwoord: Zoals

a)

Voorbeeld

b)

Tijd

c)

Opsomming

26.

Welk verband staat in de volgende zin:

Ik houd van Italiaans eten, zoals spaghetti en pizza.

a)

Voorbeeld

b)

Tijd

c)

Tegenstelling

27.

Welk verband staat in de volgende zin:


Ik heb straks eerst een lunch, daarna bezoek ik een musical en vervolgens ga ik naar een verjaardag.

a)

Voorbeeld

b)

Tijd

c)

Tegenstelling

28.

Welk verband staat in de volgende zin:


Normaal vind ik verbanden erg lastig, maar na deze les snapte ik het wel.

a)

Tegenstelling

b)

Tijd

c)

Opsomming

29.

Welk verband staat in de volgende zin:


In dat huis wonen mensen, verder wonen er katten en honden.

a)

Opsomming

b)

Tegenstelling

c)

Tijd

30.

Een feitelijk argument

a)

kun je controleren

b)

kun je niet controleren

31.

Wat zijn hoofdzaken?

a)

De titel van een tekst

b)

Het belangrijkste van de tekst in één zin

c)

Alle informatie die in een tekst belangrijk is

d)

De conclusie van een tekst

32.

Welke zin(nen) is/zijn juist?

a)

Tekstverbanden kun je herkennen aan signaalwoorden.

b)

Signaalwoorden staan alleen aan het begin van een zin.

c)

Signaalwoorden verbinden zinnen of alinea's met elkaar.

d)

Een tekst kan maar één tekstverband hebben.

33.

Welk tekstdoel is dit?

a)

Informeren

b)

Overtuigen

c)

Waarschuwen

d)

Tot handelen aanzetten

e)

Instrueren

34.

Welk tekstdoel is dit?

a)

Overtuigen

b)

Waarschuwen

c)

Tot handelen aanzetten

d)

Instrueren

e)

Adviseren

35.

Wat voor tekstdoel is dit?

a)

Tot handelen aanzetten

b)

Instrueren

c)

Adviseren

d)

Amuseren

e)

Informeren

36.

Welk tekstdoel is dit?

a)

Overtuigen

b)

Adviseren

c)

Tot handelen aanzetten

d)

Instrueren

e)

Amuseren

37.

Wat is het tekstdoel?

a)

Informeren

b)

Instrueren

c)

Overtuigen

d)

Amuseren

e)

Waarschuwen

38.

Welk tekstdoel is dit?

a)

Adviseren

b)

Amuseren

c)

Waarschuwen

d)

Overtuigen

39.

Welk tekstdoel is dit?

a)

Informeren

b)

Overtuigen

c)

Amuseren

d)

Instrueren

e)

Waarschuwen

40.

Wat voor tekstdoel is dit?

a)

Informeren

b)

Overtuigen

c)

Waarschuwen

d)

Amuseren

e)

Adviseren

41.

Voor welk publiek is deze tekst?

a)

Kleine kinderen

b)

Jongeren (12-18 jaar)

c)

Volwassenen (19-60 jaar)

d)

Bejaarden

42.

Voor welk publiek is deze tekst?

a)

Jonge kinderen

b)

Jongeren (12-18 jaar)

c)

Volwassenen (19-60 jaar)

d)

Bejaarden

43.

Voor welk publiek is deze tekst?

a)

Jonge kinderen

b)

Jongeren (12-18 jaar)

c)

Volwassenen (19-60 jaar)

d)

Bejaarden

44.

Welk plaatje is een instruerend tekst doel

a)
b)
c)
d)
45.

welk plaatje is de activerende tekst?

a)
b)
c)
d)
46.

Welk plaatje is een informerende tekst?

a)
b)
c)
d)
47.

wat is een recept voor tekst doel

a)

instruerende

b)

amuserende

48.

wat is een activerende tekst doel

a)

recept

b)

advertentie

49.

Een ander woord voor beeld en opmaak is

a)

lay out

b)

make up

c)

plaatjes en illustraties

d)

lettertype en logo

50.

Wat hoort niet bij beeld en opmaak?

a)

verdeling van de tekst

b)

bron van de tekst

c)

gebruik van kleuren

d)

grootte en soort van de letter

51.

Door het woord maar weet je dat hier een tekstverband bestaat.


Welk soort?

a)

Opsomming

b)

Tegenstelling

52.
De hoofdgedachte is één woord of een paar woorden
a)
Juist; geen hele zin
b)
Onjuist; dat is het onderwerp
53.
De titel is het onderwerp van een tekst
a)
Juist
b)
Onjuist
54.
De hoofdgedachte is ...
a)
Een zin met bijzaken
b)
Een zin met hoofdzaken en bijzaken
c)
Een zin waarin de belangrijkste informatie staat
d)
Een zin met de gedachten van de schrijver
55.
Hoofdzaken zijn ... 
a)
Erg belangrijk 
b)
Niet zo belangrijk om een tekst te begrijpen
56.

Juist of onjuist?

Informatie in teksten is altijd betrouwbaar.

a)

juist

b)

onjuist

57.

Kritisch lezen betekent dat je let

a)

op de illustraties die bij de tekst staan.

b)

op het doel van de tekst.

c)

op de bron van de tekst.

d)

op de titel en tussenkopjes van de tekst.

e)

op de deskundigheid van de schrijver.

58.

De bron van een tekst betekent

a)

wie de tekst geschreven heeft.

b)

waar je de tekst gevonden hebt.

c)

wat het doel is van de tekst.

59.

Wanneer is een schrijver deskundig?

a)

Als hij zich uitgebreid in het onderwerp heeft verdiept.

b)

Als hij veel ervaring heeft met het onderwerp.

c)

Als hij het onderwerp leuk brengt.

d)

Als hij professor is.

e)

Als hij veel geld verdient.

60.

Bij het doel van de tekst moet je je afvragen...

a)

wanneer de schrijver de tekst heeft geschreven.

b)

wat de schrijver met de tekst wil bereiken.

c)

wat de aanleiding was voor het schrijven van de tekst.