wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

1BKGT Lezen H 4, 5, 6

Total questions: 60

Worksheet time: 29mins

Name
Class
Date
1.
Elke tekst gaat ergens over. Dat noem je
a)
alinea
b)
onderwerp
c)
hoofdgedachte
d)
tussenkopje
2.
Je kunt met één of met een paar woorden zeggen wat het onderwerp is
a)
goed
b)
fout
3.
Om het onderwerp te vinden, hoef je een tekst niet helemaal te lezen.
a)
goed
b)
fout
4.
Een tekst is meestal verdeeld in een middenstuk (kern) en een slot.

a)
goed
b)
fout
5.
Vaak worden er in het middenstuk verschillende delen van het onderwerp besproken. Dit noemen we
a)
alinea's
b)
inleiding
c)
tussenkopjes
d)
deelonderwerpen
6.
Hierin wordt duidelijk wat het onderwerp van de tekst is.
a)
in het middenstuk
b)
in het slot
c)
in de inleiding
7.
Hierin wordt het belangrijkste uit de tekst kort herhaald.

a)
in de inleiding
b)
in het middenstuk
c)
in het slot
8.

Deelonderwerpen staan in een tekst in ...

a)

de inleiding.

b)

het slot

c)

het middenstuk

d)

de inleiding en het slot.

9.

De titel is altijd het onderwerp van een tekst

a)

Juist

b)

Onjuist

10.

De meeste informatie van een tekst staat in ..

a)

de inleiding.

b)

het middenstuk.

c)

het slot.

11.

Wat de schrijver met de tekst wil bereiken noem je ...

a)

het doel.

b)

de aanleiding.

c)

het slot.

12.

Het doel van de tekstsoort 'krantenbericht' is ...

a)

iets te weten komen (informeren).

b)

mening geven (overtuigen).

c)

vermaken (amuseren).

d)

iets laten doen (overhalen).

13.

Het doel van de tekstsoort 'advertentie' is ...

a)

iets te weten komen (informeren).

b)

mening geven (overtuigen).

c)

vermaken (amuseren).

d)

iets laten doen (overhalen).

14.

Het doel van de tekstsoort 'kort verhaal' is ...

a)

iets te weten komen (informeren).

b)

mening geven (overtuigen).

c)

vermaken (amuseren).

d)

iets laten doen (overhalen).

15.

Een tekst bestaat meestal uit:

a)

begin, vervolg, eind

b)

inleiding, middenstuk, slot

c)

anekdote, deelonderwerp, conclusie

d)

voorbeeld, kern, eind

16.

Wat is het tekstdoel?

a)

Informeren

b)

Overhalen

c)

Non-fictie

d)

Amuseren

17.

Welke tekstsoort wil jou informeren?

a)

Krantenartikel

b)

Strip

c)

Flyer chirofuif

18.

De songtekst van een nieuw nummer wil jou...

a)

Overhalen

b)

Informeren

c)

Amuseren

19.

Wat is het tekstdoel?

a)

Informeren

b)

Fictie

c)

Non-fictie

d)

Overhalen

20.

Wat betekent non-fictie?

a)

Een tekst gebaseerd op waargebeurde verhalen

b)

Een tekst gebaseerd op niet-waargebeurde verhalen

c)

Een verhaal

21.

Wat soort boek is dit?

a)

Fictie

b)

Non-fictie

22.

Een folder over tandhygiëne wil jou ...

a)

Amuseren

b)

Informeren

c)

Overtuigen

23.

Een wervende tekst wil jou...

a)

Ontroeren

b)

Amuseren

c)

Doen lachen

d)

Overtuigen

24.

De schoolkrant is een..

a)

Informatieve tekst

b)

Amuserende tekst

c)

Overtuigende tekst

25.

Een gedicht is een ...

a)

Overtuigende tekst

b)

Amuserende tekst

c)

Informatieve tekst

26.

Wat is het tekstdoel?

a)

Amuseren

b)

Informeren

c)

Overhalen

27.

De bron van een tekst betekent

a)

wie de tekst geschreven heeft.

b)

waar je de tekst gevonden hebt.

c)

wat het doel is van de tekst.

28.
Wat moet je als eerst doen als je een tekst leest?
a)
Naar plaatjes, bron, titel, inleiding en slot kijken. 
b)
De tekst lezen.
c)
Naar plaatjes, bron en titel kijken.
d)
Naar de vragen kijken. 
29.

H5 Lezen gaat over 'doelen van teksten'. Hieronder staan de vijf doelen van teksten die je hebt geleerd. Maar wacht, eentje klopt er niet! Welke?

a)

De schrijver wil je informatie geven.

b)

De schrijver wil je iets leren of uitleggen.

c)

De schrijver wil zijn mening geven.

d)

De schrijver wil je iets vertellen.

e)

De schrijver wil je amuseren.

30.

In de vorige vraag ontbrak er één tekstdoel, namelijk 'de schrijver wil je iets laten doen'. Hieronder staan vijf tekstsoorten. Bij welke tekstsoorten is het tekstdoel 'de schrijver wil je iets laten doen'?

(er zijn meerdere antwoorden goed)

a)

een reclametekst

b)

een recept

c)

een bespreking van een film

d)

een uitnodiging

e)

een strip

31.

H6 Lezen gaat over 'tekst en afbeeldingen'. Om welke twee redenen voegen schrijvers afbeeldingen toe aan de tekst?

a)

Omdat het gebruikelijk is om te doen

b)

Om de lezer extra informatie te geven

c)

Omdat de tekst dan leuker wordt

d)

Omdat de tekst dan beter in een tijdschrift past

e)

Om de tekst interessanter te maken voor kinderen

32.

Je ziet hier een foto van een tekstsoort. Wat is het doel van deze tekst?


De schrijver wil...

a)

...je informatie geven

b)

..je iets leren of uitleggen

c)

...je iets laten doen

d)

...zijn mening geven

e)

...je amuseren

33.

Geeft de afbeelding bij dit artikel extra informatie of is de afbeelding er om de tekst leuker/aantrekkelijker te maken?

a)

Het plaatje geeft extra informatie

b)

Het plaatje maakt de tekst leuker

34.

Je ziet hier een foto van een tekstsoort. Wat is het doel van deze tekst?


De schrijver wil...

a)

...je informatie geven

b)

...je iets leren of uitleggen

c)

...je iets laten doen

d)

...zijn mening geven

e)

...je amuseren

35.

Je ziet hier een foto van een tekstsoort. Wat is het doel van deze tekst?


De schrijver wil...

a)

...je informatie geven

b)

...je iets leren of uitleggen

c)

...je iets laten doen

d)

...zijn mening geven

e)

...je amuseren

36.

Je ziet hier een foto van een tekstsoort. Wat is het doel van deze tekst?


De schrijver wil...

a)

...je informatie geven

b)

...je iets leren of uitleggen

c)

...je iets laten doen

d)

...zijn mening geven

e)

...je amuseren

37.

Wat is het doel van de afbeeldingen bij deze tekstsoort?


De afbeeldingen...

a)

...zijn er om de tekst leuker te maken.

b)

...geven bijna alle informatie

38.

Je ziet hier een foto van een tekstsoort. Wat is het doel van deze tekst?


De schrijver wil...

a)

...je informatie geven

b)

...je iets leren of uitleggen

c)

...je iets laten doen

d)

...zijn mening geven

e)

...je amuseren

39.

Je ziet hier een foto van een tekstsoort. Wat is het doel van deze tekst?


De schrijver wil...

a)

...je informatie geven

b)

...je iets leren of uitleggen

c)

...je iets laten doen

d)

...zijn mening geven

e)

...je amuseren

40.

Wat voor een soort tekst is dit?

a)

een recept

b)

een advertentie

c)

een krantenbericht

d)

een gebruiksaanwijzing

e)

een stripverhaal

41.

Je ziet hier de foto van een tekstsoort. In het rode ovaal had een woord moeten staan. Welk woord past daar het beste?

a)

Uitnodiging

b)

Gebruiksaanwijzing

c)

Recept

d)

Menukaart

e)

Advertentie

42.

Wat is het doel van de tekst?


De schrijver wil...

a)

...je informatie geven

b)

...je iets leren of uitleggen

c)

...je iets laten doen

d)

...zijn mening geven

e)

...je amuseren

43.

Je ziet hier een foto van een tekstsoort. Wat is het doel van deze tekst?


De schrijver wil...

a)

...je informatie geven

b)

...je iets leren of uitleggen

c)

...je iets laten doen

d)

...zijn mening geven

e)

...je amuseren

44.

Je ziet hier een foto van een tekstsoort. Wat is het doel van deze tekst?


De schrijver wil...

a)

...je informatie geven

b)

...je iets leren of uitleggen

c)

...je iets laten doen

d)

...zijn mening geven

e)

...je amuseren

45.

Wat voor een soort tekst is het

a)

een advertentie

b)

een studietekst

c)

een verhaal

d)

een bespreking van een film

e)

een krantenbericht

46.

Je ziet hier een foto van een tekstsoort. Wat is het doel van deze tekst?


De schrijver wil...

a)

...je informatie geven

b)

...je iets leren of uitleggen

c)

...je iets laten doen

d)

...zijn mening geven

e)

...je amuseren

47.

Je ziet hier een foto van een tekstsoort. Wat is het doel van deze tekst?


De schrijver wil...

a)

...je informatie geven

b)

...je iets leren of uitleggen

c)

...je iets laten doen

d)

...zijn mening geven

e)

...je amuseren

48.

Geven de afbeeldingen bij dit artikel extra informatie of zijn de afbeeldingen er om de tekst leuker/aantrekkelijker te maken?

a)

De plaatjes geven extra informatie

b)

De plaatjes maakt de tekst leuker

49.

Welk woord is fout gespeld?

a)

zonnebloem

b)

paardebloem

c)

manestraal

d)

poppenhuis

50.

Nieuwslezer zegt: Anders is die zorg straks niet meer vanzelfsprekend


Welk woord had ze ook kunnen gebruiken?

a)

Bijzonder

b)

Gewoon

c)

Goed

51.

Wat is een synoniem van lopen

a)

rennen

b)

wandelen

c)

springen

52.

Wat is een synoniem van afwas

a)

vaat

b)

opruimen

c)

afruimen

53.

Wat is een synoniem van zoenen

a)

spelen

b)

kussen

c)

lippen

54.

Wat is een synoniem van pagina

a)

poging

b)

hekken

c)

bladzijde

55.

Wat is een synoniem van touw

a)

draad

b)

beker

c)

treurig

56.

Wat is een synoniem van beeldig

a)

mooi

b)

beelden

c)

droog

57.

Wat is een synoniem van deel

a)

klaar

b)

stukje

c)

puzzel

58.

Wat is een synoniem van mop

a)

ruzie

b)

grapje

c)

zeester

59.

Wat is een synoniem van schip

a)

auto

b)

fiets

c)

boot

60.

Wat is een synoniem van troep

a)

kooi

b)

rommel

c)

later