Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Mavo 4 - Herhaling Par. 1.1 t/m 1.4 - Weer en Klimaat

Total questions: 35

Worksheet time: 18mins

Name
Class
Date
1.

Wat betekent weer?

a)

Het gemiddelde weer over een periode van 30 jaar.

b)

De toestand van de atmosfeer op een bepaald moment in een bepaald gebied.

c)

De temperatuur op een bepaalde plek.

d)

Alle vormen van regen en wind bij elkaar.

2.

Wat zijn de 5 belangrijkste kenmerken van weer?

a)

Neerslag, wind en water, temperatuur en luchtdruk.

b)

Neerslag, water. luchtdruk, bewolking en temperatuur.

c)

Neerslag, temperatuur, luchtdruk, bewolking en wind.

d)

Temperatuur, zonneschijn, luchtdruk, wind en water.

3.

In welke zin staan allemaal vormen van neerslag?

a)

Regen, sneeuw, hittegolf

b)

Regen, sneeuw, hagel

c)

Hagel, sneeuw, ijskappen

d)

Regen, hagel, ijsbergen

4.

Wat betekent klimaat?

a)

Het gemiddelde weer over een periode van 10 jaar in een bepaald gebied.

b)

Het gemiddelde weer over een periode van 30 jaar in een bepaald gebied.

c)

Het gemiddelde weer over een periode van 50 jaar in een bepaald gebied.

d)

De toestand van de atmosfeer op een bepaald moment.

5.

Wat staat hier afgebeeld?

a)

Broeikaseffect

b)

Klimaatsysteem

c)

Klimaat effect

d)

Waterkringloop

6.

Wat zijn allemaal klimaatfactoren? Kies er 3 uit.

a)

Breedteligging

b)

Hoogteligging

c)

Gesteldheid van het aardoppervlak.

d)

UV-Index.

e)

Bewolkingsgraad.

7.

De rode lijn in een klimaatgrafiek geeft welke eenheid aan?

a)

Temperatuur

b)

Neerslag

c)

Windkracht

8.

De juiste volgorde van het ontstaan van neerslag:

a)

Koude lucht stijgt, warmt op, waterdamp condenseert, wolkenvorming en er valt neerslag.

b)

Warme lucht stijgt, koelt af, lucht verdampt, wolkenvorming en er valt neerslag.

c)

Warme lucht stijgt, koelt af, waterdamp condenseert, wolkenvorming en er valt neerslag.

9.

Wat is frontale neerslag?

a)

Neerslag die ontstaat waar warme en koude lucht botsen.

b)

Neerslag die ontstaat in gebieden waar lucht door het aardoppervlak wordt opwarmt, opstijgt en hoger in de atmosfeer afkoelt.

c)

Neerslag die ontstaat bij gebergten waar lucht omhooggestuwd wordt en afkoelt.

10.

Wat is stuwingsneerslag?

a)

Neerslag die ontstaat waar warme en koude lucht botsen.

b)

Neerslag die ontstaat in gebieden waar lucht door het aardoppervlak wordt opwarmt, opstijgt en hoger in de atmosfeer afkoelt.

c)

Neerslag die ontstaat bij gebergten waar lucht omhooggestuwd wordt en afkoelt.

11.

Wat is stijgingsneerslag?

a)

Neerslag die ontstaat waar warme en koude lucht botsen.

b)

Neerslag die ontstaat in gebieden waar lucht door het aardoppervlak wordt opwarmt, opstijgt en hoger in de atmosfeer afkoelt.

c)

Neerslag die ontstaat bij gebergten waar lucht omhooggestuwd wordt en afkoelt.

12.

De evenaar ontvangt veel zonne-energie door (2 antwoorden aanvinken):

a)

de lange daglengte

b)

de loodrechte zonnestand

c)

de korte afstand van een zonnestraal door de atmosfeer

d)

de korte afstand tot de zon

e)

de grote omtrek van de aarde bij de evenaar

13.

Wat is juist? Er zijn meerdere antwoorden mogelijk.

a)

Op hoge breedte valt de zon loodrecht in en is het kouder.

b)

Op lage breedte valt de zon loodrecht in en is het warmer.

c)

Op hoge breedte moet de zon een langere afstand afleggen door de dampkring en is het kouder.

d)

Op lage breedte moet de zon een langere afstand afleggen door de dampkring en is het warmer.

14.

Met elke 100 meter die je stijgt daalt de temperatuur met:

a)

1 graden

b)

0,5 graden

c)

0,6 graden

d)

0,8 graden

15.

Op dezelfde breedtegraad geldt: verder landinwaarts ...

a)

zijn de winters kouder en de zomers warmer

b)

zijn de winters warmer en de zomers kouder

c)

zijn zowel de winters als de zomers warmer

d)

zijn zowel de winters als de zomers kouder

16.

De warme golfstroom stroomt van:

a)

Golf van Mexico naar Middellandse Zee

b)

Zuidelijke Atlantische Oceaan naar noordelijke IJszee

c)

Golf van Mexico naar IJsland

17.

Bij het Andesgebergte is de de oostkant van het gebergte de:

a)

loefzijde

b)

lijzijde

c)

regenschaduw

18.
Bij een lagedrukgebied is er sprake van:
a)
een dalende luchtbeweging
b)
een stijgende luchtbeweging
19.

Hoe wordt de regenkant / natte kant van een gebergte genoemd?

a)

Loefzijde

b)

Lijzijde

c)

Regenschaduw

20.

Hoe wordt de droge kant van een gebergte genoemd?

a)

Loefzijde

b)

Lijzijde

c)

Regenschaduw

21.

Juist of onjuist?

Land warmt sneller op en koelt sneller af dan de zee.

a)

Juist

b)

Onjuist

22.

Juist of onjuist?

Land heeft een matige invloed op de temperatuur, zorgt voor verkoeling en lichte opwarming.

a)

Juist

b)

Onjuist

23.

Juist of onjuist?

Aflandige wind zorgt in Nederland voor extreem hete zomerdagen en extreem koude winterdagen.

a)

Juist

b)

Onjuist

24.

Welke combinaties zijn juist?

a)

Warme zeestroom: warme en droge lucht.

b)

Warme zeestroom: warme en vochtige lucht.

c)

Koude zeestroom: koude en droge lucht.

d)

Koude zeestroom: koude en vochtige lucht.

25.

Juist of onjuist?

Op 21 juni staat de zon loodrecht boven de Steenbokskeerkring, dit zorgt ervoor dat het dan zomer is op het Noordelijk Halfrond.

a)

Juist

b)

Onjuist

26.

Juist of onjuist?

Bij hogedrukgebieden heb je te maken met droogte.

a)

Juist

b)

Onjuist

27.

Juist of onjuist?

Bij lagedrukgebieden heb je te maken met veel neerslag.

a)

Juist

b)

Onjuist

28.

Juist of onjuist?

Bij een botsing van koude en warme lucht wordt koude lucht gedwongen om op te stijgen omdat koude lucht lichter is.

a)

Juist

b)

Onjuist

29.

Met welke schaal wordt de windkracht gemeten?

a)

Fruitschaal

b)

Schaal van Mercalli

c)

Schaal van Richter

d)

Schaal van Beaufort

30.

Hoe worden de lijnen genoemd waarmee de luchtdruk is aangegeven in de afbeelding?

a)

Isolijnen

b)

Isothermen

c)

Isobaren

d)

Isotopen

31.
De korte waterkringloop is...
a)
De kringloop van de zee naar de bomen
b)
De kringloop van de zee naar bron van de rivier
c)
De kringloop van de rivier naar de bomen
d)
De kringloop boven de zee
32.
Welke kringloop is dit?
a)
korte waterkringloop
b)
lange waterkringloop
c)
stikstofkringloop
d)
korte en lange waterkringloop
33.

Welk woord hoort bij nummer 2 (onder de wolk links)?

a)
regen
b)
sneeuw
c)
neerslag
d)
verdamping
34.

Welk woord hoort bij nummer 3 (in het bruine gedeelte)?

a)
infiltratie
b)
grondwater
c)
ondergrondse rivier
d)
evaporatie
35.

Welk woord hoort bij nummer 8 (in de wolk rechts)?

a)
verdamping
b)
condensatie
c)
infiltratie
d)
evaporatie