Font size
WorksheetsSpelling #3
Total questions: 15
Worksheet time: 21mins
Jullie (a) vorige week op het verkeerde veld.
De tuiniers (a) een perkje vol bloemen.
Gisteren (a) Gwen koekjes voor haar moeder.
Wat is de persoonsvorm?
De juf leest een spannend verhaal voor.
(a)
Wat is het onderwerp?
De juf leest een spannend verhaal voor.
(a)
Wat is het lijdend voorwerp?
De juf leest een spannend verhaal voor.
(a)
Wat is het lijdend voorwerp?
Hannah zet de bloemen in een vaas.
(a)
Wat is het lijdend voorwerp?
De mus vliegt een rondje door onze tuin.
(a)
Wat is het lijdend voorwerp?
De ridder redt de prinses van een draak.
(a)
Wat is het lijdend voorwerp?
Heeft jouw zus de plantjes water gegeven?
(a)
Typ het woord wat ik zeg. Denk aan de categorieën.
(a)
Typ het woord wat ik zeg. Denk aan de categorieën.
(a)
Typ het woord wat ik zeg. Denk aan de categorieën.
(a)
Typ de zin die ik zeg.
(a)
Typ de zin die ik zeg.
(a)
