wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

TSE 2 - Vragen 5biol3

Total questions: 34

Worksheet time: 33mins

Name
Class
Date
1.

H11 - hoe komt het dat bij sommige mensen er toch glucose voorkomt ik urine als ze een normaal gehalte aan koolhydraten binnen krijgen?

a)

er zit al teveel glucose in het lichaam en dan krijgt de persoon nog meer glucose binnen door koolhydraten.

b)

glucose wordt slecht verbruikt in het lichaam.

c)

er is een te hoog glucosegehalte.

2.

H9 - wanneer treedt een beroerte op?

a)

als een bloedklonter de hersenbloedvaten in gaat, een slagadertje verstopt en sterfte van hersencellen veroorzaakt.

b)

als een bloedklonter uit een ader los schiet en in de longen terecht komt waar het een longslagadertje verstopt.

c)

als een bloedklonter een kransslagader in gaat en deze afsluit. 

3.

H10 - welke functie heeft hco3- in de twaalfvingerige darm?

a)

Verhogen van pH

b)

Verlagen van de pH

c)

Vervoeren van afvalstoffen

4.

H9 - Wat maakt bloedcellen rood?

(a)  

5.

H10 - Welke voedingsstoffen kunnen direct in het bloed opgenomen worden? 

a)

Peptiden

b)

Vetten

c)

Mineralen

d)

Vitamines

e)

Water

6.

H11 - Wat is de functie van de lever?

4 lines
7.

H9 - Als bij een patiënt een bloedstolsel ontstaat in 1 van de 2 hartoortjes en dit losraakt loopt deze patiënt het risico op een hersenbeschadiging, in welke hartoortje is het stolsel dan ontstaan? Welke orgaan loopt door stolsel ook een risico op beschadiging?

a)

Linker hartoortje en hart.

b)

Linker hartoortje en linkerlong.

c)

Linker hartoortje en beide longen.

d)

Rechter hartoortje en hart.

 

8.

H10 - Sommige voedingstoffen worden vanuit de dunne darm eerst in de lymfevaten opgenomen en vervolgens afgevoerd naar de grote bloedsomloop. In welke van de onderstaande bloedvaten worden deze voedingsstoffen het eerst aangetroffen?

a)

In de bovenste holle ader.

b)

In de leverader.

c)

In de onderste holle ader.

d)

In de poortader.

9.

H11 - Als een mens inademt, gebeurt onder andere het volgende…

a)

De spieren van het middenrif trekken samen, waardoor het middenrif omhoog gaat.

b)

De longen zetten uit; hierdoor gaat de borstkas mee.

c)

De borstkas zet uit; hierdoor gaan de longen mee.

d)

De spieren van het middenrif ontspannen zich, waardoor het middenrif daalt.

10.

H9 - Wat gebeurt er met je hart als je vaak traint?

4 lines
11.

H10 - Wanneer krijg je last van obstipatie?

4 lines
12.

H11 - Waarom hebben de haarvaten in de nieren poriën?

4 lines
13.

H9 - De functie van hartkleppen is:

a)

de controle van de hoeveelheid bloed die door het hart wordt rondgepompt.

b)

het grondig mengen van bloed als het door het hart gaat.

c)

vertragen van de stroomsnelheid van het bloed tijdens de passage door het hart.

d)

zorgen dat het bloed niet de verkeerde kant op stroomt in het hart.

e)

Bloed voortstuwen door het hart.

14.

H10 - Welke uit het darmkanaal opgenomen stoffen worden door lymfevaten verder getransporteerd?

a)

Aminozuren

b)

Monosachariden

c)

Vetten

d)

Zouten

15.

H11 - De menselijke lever breekt overtollige aminozuren af. Als eindproduct(en) van deze afbraak wordt (worden) dan gevormd:

a)

Alleen ureum

b)

Ammoniak en ureum

c)

Ureum en andere koolstofverbindingen

d)

Ammoniak en andere koolstofverbindingen

16.

H11

a)

A

b)

B

c)

C

d)

D

17.

H10

a)

A

b)

B

c)

C

d)

D

18.

H9

4 lines
19.
4 lines
20.

H9 - Welke van deze eiwitten verbind(en) zich aan O2?

a)

Hemoglobine

b)

Myoglobine

c)

Beide

d)

Geen eén

21.

H11 - Welke van deze is/zijn geen taak van de lever?

a)

detoxificatie

b)

gal bewaren

c)

gas wisselen

d)

stoffen opslaan

e)

Vormen van rode bloedcellen

22.

H10 - Hier zie je 3 grafieken. Zet de enzymen bij het bijbehorend grafiek

a)

I = amylase II=tryptase

III=peptase

b)

I=amylase

II= petase

III = thryptase

c)

I=Peptase

II = Amylase

III=Tryptase

d)

I=tryptase

II=amylase

III= peptase

23.

H9 - Geef aan welke bewering(en) juist is/zijn: 

1) Alle slagaders vervoeren zuurstofrijk bloed

2) De poortader vervoert zuurstofrijk bloed naar de darmen

a)

Beide onjuist

b)

Bewering 1 is juist

c)

Bewering 2 is juist

d)

Beide juist

24.

H10-Welke van onderstaande beweringen over enzymen is juist?

a)

A) Een enzym wordt bij het deelnemen aan een reactie verbruikt

b)

B) Een enzym kan slechts 1 bepaalde reactie beïnvloeden

c)

C) Enzymen zijn voornamelijk opgebouwd uit koolhydraten

d)

D) De productie van enzymen in het lichaam is onafhankelijk van de door het lichaam opgenomen voedingsstoffen 

25.

H11 - Enkele stoffen in het lichaam van de mens zijn essentiële aminozuren, glucagon, glucose en ureum. Welke van deze stoffen worden in de lever gevormd?

a)

essentiële aminozuren en glucagon

b)

essentiële aminozuren en ureum

c)

glucose en ureum

d)

glucagon en glucose 

26.

Aan een reageerbuis gevuld met een maltose-oplossing van 0 °C wordt een enzym afkomstig van een zoogdier toegevoegd om maltose om te zetten in glucose.De inhoud van de buis wordt al roerend langzaam tot 80 °C verwarmd.Welke grafiek kan aangeven hoe het glucosegehalte in de buis verandert?

a)

1

b)

2

c)

3

d)

4

27.

Bij een bepaalde ziekte komen gelijktijdig de volgende verschijnselen voor:

1) de urine is donkergeel tot bruin gekleurd

2) het oogwit is geel gekleurd

3) de ontlasting is bleek van kleur

Waardoor zullen deze verschijnselen waarschijnlijk veroorzaakt zijn?

a)

doordat de galwegen verstopt zijn

b)

 doordat de urineleiders verstopt zijn

c)

doordat de nieren rode bloedcellen doorlaten

d)

doordat de lever te veel ureum afgeeft

28.

Ook al heb je geen galblaas, kun je alsnog gal aanmaken. Hoe kan dit?

4 lines
29.

H9 - In 2014 en 2015 was er in Friesland veel schade door grote aantallen veldmuizen.

Boeren kunnen de veldmuizenpopulatie terugdringen met muizengif zoals bromadiolon, een vitamine-K-antagonist.

Vitamine K is nodig voor de vorming van trombine in het bloed.

Waaraan sterven muizen na het eten van bromadiolonkorrels?

Ze sterven aan:

a)

de gevolgen van trombose doordat er minder fibrine gevormd wordt.

b)

de gevolgen van trombose doordat er minder fibrinogeen gevormd wordt.

c)

inwendige bloedingen doordat er minder fibrine gevormd kan worden.

d)

inwendige bloedingen doordat er minder fibrinogeen gevormd kan worden

30.

Hieronder staan drie omzettingen in het darmkanaal van een gezond persoon zijn. Geef van elke omzetting of die wel of niet door enzymen uit alvleessap wordt bewerkstelligd.

glycogeen → maltose

dipeptiden → aminozuren

triglyceriden → monoglyceriden

 

4 lines
31.

Enkele stoffen die in het bloed voorkomen zijn: vitamine D, glycogeen, eiwitten en ijzer. Welke deze stoffen kunnen in de lever worden opgeslagen?

a)

Alleen eiwitten en ijzer

b)

Alleen vitamine D, glycogeen en ijzer

c)

Alleen vitamine D en glycogeen

d)

Vitamine D, glycogeen, eiwitten en ijzer

32.

Bij een zwangere vrouw wordt het zuurstoftransport van moeder naar kind bestudeerd. De vrouw ademt een zuurstofmolecuul in. Dit zuurstofmolecuul gaat van de longen van de vrouw "langs de kortst mogelijke weg" naar de hersenen van het kind.

a)

nee

b)

Ja, minstens 1x

c)

Ja, minstens 2x

d)

Ja, minstens 3x

33.

Sommige voedingsstoffen worden vanuit de dunne darm eerst in de lymfevaten opgenomen en vervolgens afgevoerd naar de grote bloedsomloop.

In welk van onderstaande bloedvaten worden deze voedingsstoffen het eerst aangetroffen?

a)

bovenste holle ader

b)

leverader

c)

onderste holle ader

d)

poortader

34.

Vissen zijn in staat voldoende zuurstof uit het water op te nemen. Hoe komt het dat in grootte vergelijkbare reptielen dit niet zouden kunnen?

a)

Kieuwen hebben een groter oppervlakte dan longen

b)

Kieuwen hebben een dunnere laag dekweefsel dan longen

c)

Bij kieuwen is de verversing van water beter mogelijk dan bij longen het geval zou zijn

d)

Kieuwplaatjes worden door de opwaartse kracht van het water gescheiden gehouden, longblaasjes zouden hierdoor worden samengedrukt