wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Woordsoorten oefenen

Total questions: 13

Worksheet time: 8mins

Name
Class
Date
1.

Kies het betrekkelijk voornaamwoord: De reis die ik met deze vrienden maakte, was avontuurlijk.

a)

die

b)

deze

c)

de

d)

vrienden

2.

Kies het betrekkelijk voornaamwoord: Er is iets wat haar dwarszit maar waar die docent niets aan kan doen omdat de docent niets heeft gezien in deze klas.

a)

die

b)

deze

c)

haar

d)

wat

3.

Kies het betrekkelijk voornaamwoord: Toen Ben wilde printen, was het papier, dat hij net had bijgevuld, alweer op. Die printer heeft een te kleine papierbak.

a)

Toen

b)

dat

c)

die

d)

deze

4.

Kies het betrekkelijk voornaamwoord: Die PvD-ers protesteerden tegen een spookhuis dat een terrarium met krekels wil tentoonstellen.

a)

tegen

b)

protesteerden

c)

die

d)

dat

5.

Kies één of meer onbepaalde voornaamwoorden: Gisteren vertelde iemand mij iets wat niemand mag weten.

a)

iemand

b)

iets

c)

wat

d)

niemand

6.

Kies één of meer onbepaalde voornaamwoorden: Zeg zoiets nooit meer tegen iemand van die leeftijd!

a)

zoiets

b)

tegen

c)

iemand

d)

die

7.

Kies één of meer onbepaalde voornaamwoorden: Veel toeschouwers waren enthousiast, maar niemand juichte.

a)

veel

b)

enthousiast

c)

niemand

d)

die

8.

Kies het juiste wederkerend voornaamwoord: Sloof ____ toch niet zo uit.

a)

me

b)

zich

c)

je

d)

hem

9.

Kies het juiste wederkerend voornaamwoord: Dat brengt dit werk nu eenmaal met _____ mee.

a)

me

b)

zich

c)

je

d)

hem

10.

Kies het juiste wederkerend voornaamwoord: Je neemt ____ steeds weer voor om het nu goed te doen.

a)

me

b)

zich

c)

je

d)

hem

11.

Wat is een tussenwerpsel?

a)

Een woord dat je gebruikt voor bevestiging, ontkenning, sociaal contact, emotie, klanknabootsing.

b)

Een woord dat tegelijkertijd een zelfstandig naamwoord is.

c)

Bijvoorbeeld: ja, bah, doei, toktok.

d)

Uitroepen en klanknabootsingen die vaak van de rest worden gescheiden door een komma.

12.

Kies één of meerdere tussenwerpsels: Sssst, zachter ,alsjeblieft.

a)

Sssst

b)

zachter

c)

ssst-zachter

d)

alsjeblieft

13.

Kies één of meerdere tussenwerpsels: Hey, je hebt toch zeker wel die toets geleerd?

a)

Hey

b)

toch zeker

c)

zeker wel

d)

die toets