wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Thema 5, waarneming en regeling

Total questions: 28

Worksheet time: 14mins

Name
Class
Date
1.
Hoeveel verschillende soorten zintuigen kennen we?
a)
3 namelijk in je oog, oor en neus
b)
4 namelijk in je oog, oor, neus en huid
c)
5 namelijk in je oog, neus, oor, huid en mond
d)
6 namelijk in je oor, huid, oog, neus, mond en tong
2.
Iets waar je zintuigen op reageren heet een ...
a)
Impuls
b)
Seintje
c)
Prikkel
d)
Zenuw
3.
Het centrale zenuw-stelsel bestaat uit:
a)
Zenuwen
b)
Zenuwen en de hersenen
c)
Zenuwen en het ruggenmerg
d)
De hersenen en het ruggenmerg
4.
Bewust worden gebeurt in de spieren.
a)
Juist
b)
Onjuist
5.
De weg die een geurstof tot aan de hersenen moet maken is:
1: Langs het neus-slijmvlies
2: Langs het reuk-zenuw
3: Langs de reuk-zintuigcellen
4: Hersenen
a)
Juist
b)
Onjuist
6.
De verschillende smaken die de smaak zintuigcellen kunnen onderscheiden zijn:
a)
Zuur, Zout, Zoet
b)
Zuur, Zout, Zoet, Pittig
c)
Pittig, Bitter, Zoet, Zout
d)
Zoet, Zout, Zuur, Bitter
7.
Bij welk zintuig hoort deze afbeelding?
a)
Gehoor-zintuig
b)
Gezichts-zintuig
c)
Reuk-zintuig
d)
Smaak-zintuig
8.
Wat is de functie van oorsmeer?
a)
Vochtig houden van het trommelvlies
b)
Soepel houden van het trommelvlies
c)
Zorgt ervoor dat het trommelvlies niet kan bewegen
d)
Geeft het trommelvlies een gele kleur
9.
Hier bevindt zich het gehoorzintuig.
a)
Trommelvlies
b)
Gehoorbeentjes
c)
Slakkenhuis
d)
Buis van Eustachius
10.
Wimpers zorgen ervoor dat het zweet niet in je ogen loopt.
a)
Juist
b)
Onjuist
11.
Met dit deel van het oog kan je scherp zien.
a)
Iris
b)
Pupil
c)
Harde oogvlies
d)
Lens
12.
In deze laag van het oog liggen de meeste bloedvaten.
a)
Harde oogvlies
b)
Vaatvlies
c)
Netvlies
13.
Langs welke weg gaat het licht van het oog-zintuig?
a)
Hoornvlies-pupil-lens-glasachtige lichaam-netvlies
b)
Glasachtige lichaam-netvlies-pupil-lens-hoornvlies
c)
Hoornvlies-lens-netvlies
d)
Lens-pupil-hoornvlies-netvlies-glasachtige lichaam
14.
Met deze vlek kan je niets zien.
a)
Gele vlek
b)
Blinde vlek
c)
Lege vlek
d)
Zenuw vlek
15.
De pupil is eigenlijk een opening in plaats van een zwart gedeelte.
a)
Juist
b)
Onjuist
16.
Een ander woord voor impuls is ...
a)
Zenuw
b)
Prikkel
c)
Seintje
d)
Reactie
17.

Hoe loopt de volgorde van een bewuste handeling:

1. Bewegingszenuwcel

2. Gevoelszenuwcel

3. Schakelcel (grote hersenen)

4. Zintuig

5. Spier of klier

a)

4 - 1 - 3 - 2 - 5

b)

4 - 2 - 3 - 1 - 5

c)

4 - 3 - 2 - 1 - 5

d)

4 - 1 - 5 - 2 - 3

18.

Waarlangs kan een reflex lopen? (meerdere antwoorden goed)

a)

Grote hersenen

b)

Hersenstam

c)

Ruggenmerg

d)

Kleine hersenen

19.

Een reflex loopt op de volgende manier:

Zintuig --> gevoelszenuwcel --> ruggenmerg/hersenstam --> bewegingszenuwcel --> spier of klier.

Na deze impuls wordt er nog een impuls gestuurd. Welke impuls is dat?

a)

Vanuit een zintuig wordt er nog via schakelcellen een impuls naar de grote hersenen gebracht.

b)

Vanuit het ruggenmerg/hersenstam wordt er nog via schakelcellen een impuls naar de grote hersenen gebracht.

c)

Vanuit een spier/klier wordt er nog via schakelcellen een impuls naar de grote hersenen gebracht.

d)

Vanuit een gevoelszenuwcel wordt er nog via schakelcellen een impuls naar de grote hersenen gebracht.

20.

Bekijk de afbeelding. Welke lijn geeft een hoger geluid aan?

a)

Groene lijn, want die geeft meer herz aan.

b)

Groene lijn, want die geeft meer decibel aan.

c)

Blauwe lijn, want die geeft meer herz aan.

d)

Blauwe lijn, want die geeft meer decibel aan.

21.

Bekijk de afbeelding. Welke lijn geeft een harder geluid aan?

a)

Groene lijn, want die geeft meer herz aan.

b)

Groene lijn, want die geeft meer decibel aan.

c)

Blauwe lijn, want die geeft meer herz aan.

d)

Blauwe lijn, want die geeft meer decibel aan.

22.

Waar/niet waar. Je oogzenuw hoort bij je centrale zenuwstelsel.

a)

Waar

b)

Niet waar

23.

Zintuigen zetten .... 1...... om in .....2 ......

a)

1= impuls 2= zenuwen

b)

1= zenuwen 2= prikkel

c)

1= prikkel 2= impuls

d)

1= prikkel 2= hormonen

24.

Hoe heet het onderdeel bij nummer 1?

a)

Bewegingszenuwcel

b)

Gevoelszenuwcel

c)

Schakelcel

d)

Prikkel

e)

Gemengde zenuw

25.

Hoe heet het onderdeel bij nummer 2?

a)

Bewegingszenuwcel

b)

Gevoelszenuwcel

c)

Schakelcel

d)

Prikkel

e)

Gemengde zenuw

26.

In je schouder lopen zenuwen die naar je arm gaan. Als je schouder uit de kom gaat drukt de schouder kop hard op de gemengdezenuw (zie afbeelding). Wat voor gevolgen kan dit hebben voor het bewegen van je arm?

a)

Je kan je arm nog maar een klein beetje bewegen.

b)

Je kan je arm normaal bewegen.

c)

Je kan je arm helemaal niet meer bewegen.

27.

Welke letter geeft de hersenstam aan?

a)

Q

b)

R

c)

S

d)

T

28.

Een vleermuis gebruikt echolocatie voor het opsporen van vliegende prooien zoals insecten. Daarbij maakt de vleermuis geluiden die weerkaatst worden door de omgeving. Door het opvangen van de weerkaatste geluiden bepaalt het dier waar de insecten zich bevinden. De vleermuis vliegt er dan op af om ze op te eten.

De vleermuis gebruikt spieren om de geluiden te maken. Deze spieren laten de stembanden bewegen en worden snelle spieren genoemd omdat ze wel 160 keer per seconde kunnen samentrekken.


De gehoorzintuigcellen vangen de teruggekaatste geluiden op en zetten ze om in impulsen die naar de hersenen worden geleid.


Waar in de hersenen worden deze impulsen verwerkt tot een bewuste waarneming van geluid?

a)

in de grote hersenen

b)

in de kleine hersenen

c)

in de hersenstam