wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Wonen Quiz

Total questions: 69

Worksheet time: 43mins

Name
Class
Date
1.

Typ het juiste begrip dat bij de zin past.

Mensen die geen vaste woonplaats hebben en (meestal met hun vee) rondtrekken.



(a)  

2.

Typ het juiste begrip dat bij de zin past.

Nomaden die reizen tussen jachtgronden.



(a)  

3.

Typ het juiste begrip dat bij de zin past.

Nomaden die tussen weidegronden reizen met hun vee.



(a)  

4.

Typ het juiste begrip dat bij de zin past.

Nomaden die tussen verblijfplaatsen van klanten reizen.



(a)  

5.

Nomaden die reizen tussen jachtgronden.

a)

jagers-verzamelaars

b)

semi-nomaden

c)

moderne nomaden

6.

Nomaden die tussen weidegronden reizen met hun vee.

a)

jagers-verzamelaars

b)

semi-nomaden

c)

moderne nomaden

7.

Nomaden die tussen verblijfplaatsen van klanten reizen.

a)

jagers-verzamelaars

b)

semi-nomaden

c)

moderne nomaden

8.

Typ het begrip dat het beste bij de zin past.

Taken die een woning vervult.

(a)  

9.

Klik voorbeelden van woonfuncties aan.

a)

koken

b)

hond uitlaten

c)

naar school gaan

d)

huiswerk maken

e)

slapen

10.

Typ het ontbrekende woord in.

De ... van een tekening vertelt je hoeveel 1 cm in werkelijkheid is.

(a)  

11.

1 : 150 betekent ...

a)

1 m op de tekening is 150 m in het echt

b)

1 cm op de tekening is 150 cm in het echt

c)

1 cm in het echt is 150 cm in de tekening

d)

1 m in het echt is 150 m in de tekening

12.

Klik het gevaar aan waar het symbool voor waarschuwt.

a)

lange termijn gevaarlijk

b)

ontvlambaar

c)

oxiderend

d)

ontplofbaar

e)

niet mengen

13.

Klik het gevaar aan waar het symbool voor waarschuwt.

a)

lange termijn gevaarlijk

b)

irriterend

c)

oxiderend

d)

giftig

e)

niet mengen

14.

Klik het gevaar aan waar het symbool voor waarschuwt.

a)

lange termijn gevaarlijk

b)

ontvlambaar

c)

oxiderend

d)

corrosief

e)

niet mengen

15.

Klik het gevaar aan waar het symbool voor waarschuwt.

a)

irriterend

b)

ontvlambaar

c)

oxiderend

d)

corrosief

e)

niet mengen

16.

Klik het gevaar aan waar het symbool voor waarschuwt.

a)

irriterend

b)

ontvlambaar

c)

oxiderend

d)

corrosief

e)

niet mengen

17.

Klik het gevaar aan waar het symbool voor waarschuwt.

a)

milieugevaarlijk

b)

ontvlambaar

c)

oxiderend

d)

corrosief

e)

niet mengen

18.

Klik het gevaar aan waar het symbool voor waarschuwt.

a)

milieugevaarlijk

b)

ontvlambaar

c)

oxiderend

d)

corrosief

e)

niet mengen

19.

Klik het gevaar aan waar het symbool voor waarschuwt.

a)

milieugevaarlijk

b)

ontvlambaar

c)

oxiderend

d)

ontplofbaar

e)

niet mengen

20.

Klik het gevaar aan waar het symbool voor waarschuwt.

a)

milieugevaarlijk

b)

ontvlambaar

c)

oxiderend

d)

ontplofbaar

e)

niet mengen

21.

Typ het gevaar waarvoor het symbool waarschuwt.

(a)  

22.

Typ het gevaar waarvoor het symbool waarschuwt.

(a)  

23.

Typ het gevaar waarvoor het symbool waarschuwt.

(a)  

24.

Typ het gevaar waarvoor het symbool waarschuwt.

(a)  

25.

Typ het gevaar waarvoor het symbool waarschuwt.

(a)  

26.

Typ het gevaar waarvoor het symbool waarschuwt.

(a)  

27.

Typ het gevaar waarvoor het symbool waarschuwt.

(a)  

28.

Typ het gevaar waarvoor het symbool waarschuwt.

(a)  

29.

Typ het gevaar waarvoor het symbool waarschuwt.

(a)  

30.

Een ander woord voor corrosief is ...

a)

bijtend

b)

oxiderend

c)

irriterend

d)

mengend

31.

Typ het begrip dat in de zin past.

... zijn diersoorten die door de sterk veranderde leefomgeving van de mens ideale omstandigheden kregen om bij te komen wonen.



(a)  

32.

Klik op het juiste begrip.

Planteneter.

a)

herbivoor

b)

carnivoor

c)

omnivoor

d)

fructivoor

e)

insectivoor

33.

Klik op het juiste begrip.

Vleeseter.

a)

herbivoor

b)

carnivoor

c)

omnivoor

d)

fructivoor

e)

insectivoor

34.

Klik op het juiste begrip.

Alleseter.

a)

herbivoor

b)

carnivoor

c)

omnivoor

d)

fructivoor

e)

insectivoor

35.

Klik op het juiste begrip.

Vruchteneter.

a)

herbivoor

b)

carnivoor

c)

omnivoor

d)

fructivoor

e)

insectivoor

36.

Klik op het juiste begrip.

Insecteneter.

a)

herbivoor

b)

carnivoor

c)

omnivoor

d)

fructivoor

e)

insectivoor

37.

Klik op het juiste begrip.

Heeft plooikiezen.

a)

herbivoor

b)

carnivoor

c)

omnivoor

38.

Klik op het juiste begrip.

Heeft knipkiezen.

a)

herbivoor

b)

carnivoor

c)

omnivoor

39.

Klik op het juiste begrip.

Heeft knobbelkiezen.

a)

herbivoor

b)

carnivoor

c)

omnivoor

40.

Klik op het juiste begrip.

Heeft een kort darmkanaal.

a)

herbivoor

b)

carnivoor

c)

omnivoor

41.

Klik op het juiste begrip.

Heeft een middelmatig darmkanaal.

a)

herbivoor

b)

carnivoor

c)

omnivoor

42.

Klik op het juiste begrip.

Heeft een lang darmkanaal.

a)

herbivoor

b)

carnivoor

c)

omnivoor

43.

Typ het begrip dat in de zin past.

Het ontstaan van landbouwhuisdieren en landbouwgewassen.



(a)  

44.

Klik aan wat een 'waterkoker' gebruikt.

a)

gas

b)

water

c)

elektriciteit

45.

Klik aan wat een 'CV ketel' gebruikt.

a)

gas

b)

water

c)

elektriciteit

46.

Klik aan wat een 'aansteker' gebruikt.

a)

gas

b)

water

c)

elektriciteit

47.

Klik aan wat een 'vaatwasser' gebruikt.

a)

gas

b)

water

c)

elektriciteit

48.

Klik aan wat een 'elektrische tandenborstel' gebruikt.

a)

gas

b)

water

c)

elektriciteit

49.

Klik aan wat een 'telefoonoplader' gebruikt.

a)

gas

b)

water

c)

elektriciteit

50.

Klik aan wat een 'verwarming' gebruikt.

a)

gas

b)

water

c)

elektriciteit

51.

Koe

a)

herbivoor

b)

carnivoor

c)

omnivoor

d)

insectivoor

e)

fructivoor

52.

Klik aan wat een 'zonnepaneel' gebruikt.

a)

gas

b)

water

c)

elektriciteit

53.

Vleermuis

a)

herbivoor

b)

carnivoor

c)

fructivoor

d)

insectivoor

e)

omnivoor

54.

Tijger

a)

herbivoor

b)

carnivoor

c)

fructivoor

d)

insectivoor

e)

omnivoor

55.

Mens

a)

herbivoor

b)

carnivoor

c)

fructivoor

d)

insectivoor

e)

omnivoor

56.

Rat

a)

herbivoor

b)

carnivoor

c)

fructivoor

d)

insectivoor

e)

omnivoor

57.

Konijn

a)

herbivoor

b)

carnivoor

c)

fructivoor

d)

insectivoor

e)

omnivoor

58.

Kat

a)

herbivoor

b)

carnivoor

c)

fructivoor

d)

insectivoor

e)

omnivoor

59.

Schakeldraad om schakelaars mee te bedienen

a)

geel/groen

b)

bruin

c)

zwart

d)

blauw

60.

Nuldraad (afvoerdraad van de stroom)

a)

geel/groen

b)

bruin

c)

zwart

d)

blauw

61.

Fasedraad (aanvoerdraad van de stroom)

a)

geel/groen

b)

bruin

c)

zwart

d)

blauw

62.

Aardedraad dat zorgt voor ontlading en afvoer van spanning

a)

geel/groen

b)

bruin

c)

zwart

d)

blauw

63.

Geel/groen draad

a)

aardedraad

b)

fasedraad

c)

nuldraad

d)

schakeldraad

64.

Bruin draad

a)

aardedraad

b)

fasedraad

c)

nuldraad

d)

schakeldraad

65.

Blauw draad

a)

aardedraad

b)

fasedraad

c)

nuldraad

d)

schakeldraad

66.

Zwart draad

a)

aardedraad

b)

fasedraad

c)

nuldraad

d)

schakeldraad

67.

Elektriciteit en water gaan goed samen.

a)

juist

b)

onjuist

68.

Elektriciteit en gas gaan goed samen.

a)

juist

b)

onjuist

69.

Kies de juiste reden waarom elektriciteit en water niet goed samen gaan.

a)

Water kan elektriciteit goed geleiden.

b)

Water kan ontploffen in de buurt van elektriciteit.

c)

Er kan kortsluiting ontstaan.

d)

Elektriciteit kan water goed geleiden.

Similar Resources on Wayground