Font size
S
M
L
XL
Worksheets2 havo woordenschat h3 en 4 NN6e
Total questions: 124
Worksheet time: 1hrs 2mins
Name
Class
Date
1.
met
a)
aan de hand van
b)
ter gelegenheid van
c)
reputatie
d)
onder invloed van
2.
geleid
a)
aangestuurd
b)
toentertijd
c)
(de) slagzin
d)
ontleend aan
3.
benodigdheden
a)
behoeften
b)
uit hoofde van
c)
stamt uit
d)
op grond van
4.
geldkist van de vereniging
a)
(de) clubkas
b)
uitgeloofd
c)
ten aanzien van
d)
opbouwwerkzaamheden
5.
werkgebied
a)
(het) district
b)
aan de hand van
c)
ten gevolge van
d)
reputatie
6.
oorsprong en geschiedenis van woorden
a)
(de) etymologie
b)
aangestuurd
c)
toentertijd
d)
(de) slagzin
7.
geeft vorm, inhoud aan
a)
geeft invulling aan
b)
behoeften
c)
uit hoofde van
d)
stamt uit
8.
voorzien van geld
a)
gespekt
b)
(de) clubkas
c)
uitgeloofd
d)
ten aanzien van
9.
gestopt
a)
gestaakt
b)
(het) district
c)
aan de hand van
d)
ten gevolge van
10.
wegens, vanwege
a)
in het kader van
b)
(de) etymologie
c)
aangestuurd
d)
toentertijd
11.
ingezet
a)
ingeschakeld
b)
geeft invulling aan
c)
behoeften
d)
uit hoofde van
12.
klusje
a)
(het) karweitje
b)
gespekt
c)
(de) clubkas
d)
uitgeloofd
13.
was bestemd voor
a)
kwam ten goede aan
b)
gestaakt
c)
(het) district
d)
aan de hand van
14.
met
a)
met behulp van
b)
in het kader van
c)
(de) etymologie
d)
aangestuurd
15.
over
a)
met betrekking tot
b)
ingeschakeld
c)
geeft invulling aan
d)
behoeften
16.
met
a)
met gebruikmaking van
b)
(het) karweitje
c)
gespekt
d)
(de) clubkas
17.
na
a)
na verloop van
b)
kwam ten goede aan
c)
gestaakt
d)
(het) district
18.
zetten de eerste stap
a)
namen het initiatief
b)
met behulp van
c)
in het kader van
d)
(de) etymologie
19.
met
a)
onder invloed van
b)
met betrekking tot
c)
ingeschakeld
d)
geeft invulling aan
20.
overgenomen van
a)
ontleend aan
b)
met gebruikmaking van
c)
(het) karweitje
d)
gespekt
21.
vanwege
a)
op grond van
b)
na verloop van
c)
kwam ten goede aan
d)
gestaakt
22.
activiteiten tot herstel
a)
opbouwwerkzaamheden
b)
namen het initiatief
c)
met behulp van
d)
in het kader van
23.
naam
a)
reputatie
b)
onder invloed van
c)
met betrekking tot
d)
ingeschakeld
24.
slogan, leus
a)
(de) slagzin
b)
ontleend aan
c)
met gebruikmaking van
d)
(het) karweitje
25.
gaat terug op; is ontleend aan
a)
stamt uit
b)
op grond van
c)
na verloop van
d)
kwam ten goede aan
26.
over, voor
a)
ten aanzien van
b)
opbouwwerkzaamheden
c)
namen het initiatief
d)
met behulp van
27.
door
a)
ten gevolge van
b)
reputatie
c)
onder invloed van
d)
met betrekking tot
28.
wegens, vanwege
a)
ter gelegenheid van
b)
(de) slagzin
c)
ontleend aan
d)
met gebruikmaking van
29.
in die tijd, toen
a)
toentertijd
b)
stamt uit
c)
op grond van
d)
na verloop van
30.
door, wegens
a)
uit hoofde van
b)
ten aanzien van
c)
opbouwwerkzaamheden
d)
namen het initiatief
31.
aangeboden, uitgereikt
a)
uitgeloofd
b)
ten gevolge van
c)
reputatie
d)
onder invloed van
32.
Alle waar is naar zijn geld.
a)
Als je tijd verprutst, verspil je ook geld.
b)
De prijs van een product zegt vaak iets over de kwaliteit.
c)
Hij is erg rijk.
d)
Met geld kun je strafbare handelingen verdoezelen.
33.
Bankroet zijn
a)
Hij is erg rijk.
b)
failliet zijn
c)
Alle manieren om aan geld te komen zijn toegestaan.
34.
Dat is zuur verdiend geld.
a)
Hij is erg rijk.
b)
Voor dat geld is hard gewerkt.
c)
Hij geeft gemakkelijk geld uit.
d)
Geld in een hopeloze zaak steken.
35.
Eieren voor je geld kiezen.
a)
Voor iemand met geld is alles mogelijk.
b)
Met minder genoegen nemen dan je eigenlijk wilde.
c)
Hij geeft gemakkelijk geld uit.
d)
heel rijk zijn
36.
Het geld groeit hem niet op de rug.
a)
De prijs van een product zegt vaak iets over de kwaliteit.
b)
Geld komt bij hem niet zomaar binnen; hij moet er hard voor werken.
c)
Hij is erg rijk.
37.
Geen cent te makken hebben
a)
failliet zijn
b)
geen geld hebben om uit te geven
c)
Hij is erg rijk.
d)
Hij is erg rijk.
38.
Geen rooie cent hebben
a)
Voor dat geld is hard gewerkt.
b)
blut zijn
c)
Als je tijd verprutst, verspil je ook geld.
d)
Hij geeft gemakkelijk geld uit.
39.
Geld (alleen) maakt niet gelukkig.
a)
Met minder genoegen nemen dan je eigenlijk wilde.
b)
Er is meer in het leven dan rijkdom.
c)
Voor iemand met geld is alles mogelijk.
d)
Hij geeft gemakkelijk geld uit.
40.
Geld dat stom is, maakt recht wat krom is.
a)
Geld komt bij hem niet zomaar binnen; hij moet er hard voor werken.
b)
Met geld kun je strafbare handelingen verdoezelen.
c)
De prijs van een product zegt vaak iets over de kwaliteit.
d)
Hij is erg rijk.
41.
Geld stinkt niet.
a)
geen geld hebben om uit te geven
b)
Alle manieren om aan geld te komen zijn toegestaan.
c)
failliet zijn
d)
Hij is erg rijk.
42.
Goed geld naar kwaad geld gooien.
a)
blut zijn
b)
Geld in een hopeloze zaak steken.
c)
Voor dat geld is hard gewerkt.
d)
Als je tijd verprutst, verspil je ook geld.
43.
Goed in de slappe was zitten
a)
Er is meer in het leven dan rijkdom.
b)
heel rijk zijn
c)
Met minder genoegen nemen dan je eigenlijk wilde.
d)
Voor iemand met geld is alles mogelijk.
44.
Hij bulkt van het geld.
a)
Met geld kun je strafbare handelingen verdoezelen.
b)
Hij is erg rijk.
c)
Geld komt bij hem niet zomaar binnen; hij moet er hard voor werken.
d)
De prijs van een product zegt vaak iets over de kwaliteit.
45.
Hij heeft het geld voor het oprapen.
a)
Alle manieren om aan geld te komen zijn toegestaan.
b)
Hij is erg rijk.
c)
geen geld hebben om uit te geven
d)
failliet zijn
46.
Hij laat zijn geld rollen.
a)
Geld in een hopeloze zaak steken.
b)
Hij geeft gemakkelijk geld uit.
c)
blut zijn
d)
Voor dat geld is hard gewerkt.
47.
Hij smijt met geld.
a)
heel rijk zijn
b)
Hij geeft gemakkelijk geld uit.
c)
Er is meer in het leven dan rijkdom.
d)
Met minder genoegen nemen dan je eigenlijk wilde.
48.
Hij verdient geld als water.
a)
Hij is erg rijk.
b)
Hij is erg rijk.
c)
Met geld kun je strafbare handelingen verdoezelen.
d)
Geld komt bij hem niet zomaar binnen; hij moet er hard voor werken.
49.
Hij zwemt in het geld.
a)
Hij is erg rijk.
b)
Hij is erg rijk.
c)
Alle manieren om aan geld te komen zijn toegestaan.
d)
geen geld hebben om uit te geven
50.
Tijd is geld.
a)
Hij geeft gemakkelijk geld uit.
b)
Als je tijd verprutst, verspil je ook geld.
c)
Geld in een hopeloze zaak steken.
d)
blut zijn
51.
Voor geld gaan alle deuren open.
a)
Hij geeft gemakkelijk geld uit.
b)
Voor iemand met geld is alles mogelijk.
c)
heel rijk zijn
d)
Er is meer in het leven dan rijkdom.
52.
Al draagt een aap een gouden ring, het is en blijft een lelijk ding.
a)
Alleen mooie kleren maken een mens niet mooi.
b)
opzettelijk en bewust
c)
tot allerlei kleuren
d)
met (veel) bagage
53.
Al is de leugen nog zo snel, de waarheid achterhaalt ze wel.
a)
De waarheid komt altijd aan het licht.
b)
had succes
c)
met (veel) bagage
d)
Een gast moet niet te lang blijven.
54.
als gegoten zit
a)
goed past
b)
tot allerlei kleuren
c)
Een gast moet niet te lang blijven.
d)
liet op zich wachten
55.
Als twee honden vechten om een been, loopt de derde ermee heen.
a)
Als twee mensen ruzie maken om iets, krijgt een ander meestal het voordeel.
b)
met (veel) bagage
c)
liet op zich wachten
d)
helemaal niets, geen enkel woord
56.
Baat het niet, dan schaadt het niet
a)
Het helpt misschien niet, maar het kan in elk geval ook geen kwaad
b)
Een gast moet niet te lang blijven.
c)
helemaal niets, geen enkel woord
d)
tot allerlei kleuren
57.
bepakt en bezakt
a)
met (veel) bagage
b)
liet op zich wachten
c)
tot allerlei kleuren
d)
prettig
58.
Bezoek en vis blijven drie dagen fris.
a)
Een gast moet niet te lang blijven.
b)
helemaal niets, geen enkel woord
c)
prettig
d)
opzettelijk en bewust
59.
bleef uit
a)
liet op zich wachten
b)
tot allerlei kleuren
c)
opzettelijk en bewust
d)
had succes
60.
boe noch bah
a)
helemaal niets, geen enkel woord
b)
prettig
c)
had succes
d)
tot allerlei kleuren
61.
bont en blauw
a)
tot allerlei kleuren
b)
opzettelijk en bewust
c)
Goede daden worden altijd beloond.
62.
comfortabel
a)
prettig
b)
had succes
c)
Goede daden worden altijd beloond.
d)
tot allerlei kleuren
63.
de lusten en de lasten
a)
de leuke en de minder leuke dingen
b)
de voors en tegens onderzoeken
c)
toen
d)
Een gemengd huwelijk gaat bijna nooit goed.
64.
de tering naar de nering zetten
a)
je uitgaven aanpassen aan je inkomsten
b)
opzettelijk en bewust
c)
tot die tijd; tot zover als we nu zijn
d)
ruziën
65.
decoraties
a)
versieringen
b)
had succes
c)
mode
d)
helemaal, geheel en al
66.
denim
a)
ijzersterk katoen
b)
zonder schaamte
c)
Een gemengd huwelijk gaat bijna nooit goed.
d)
namen ze een beslissing
67.
door schade en schande
a)
door veel tegenslagen
b)
Alleen mooie kleren maken een mens niet mooi.
c)
ruziën
d)
Goede daden worden altijd beloond.
68.
door weer en wind gaan
a)
door moeilijkheden gaan
b)
De waarheid komt altijd aan het licht.
c)
helemaal, geheel en al
d)
Je moet blij zijn met iets kleins.
69.
dubbel en dwars
a)
ruim
b)
goed past
c)
namen ze een beslissing
d)
Zonder proberen kom je niet vooruit.
70.
Een ezel stoot zich in het gemeen niet tweemaal aan dezelfde steen.
a)
Meestal maak je niet twee keer dezelfde fout
b)
Als twee mensen ruzie maken om iets, krijgt een ander meestal het voordeel.
c)
Goede daden worden altijd beloond.
d)
overal
71.
Een mens lijdt dikwijls het meest door het lijden dat hij vreest.
a)
De angst voor iets is meestal erger dan de gebeurtenis zelf.
b)
Het helpt misschien niet, maar het kan in elk geval ook geen kwaad
c)
Alleen mooie kleren maken een mens niet mooi.
d)
de voors en tegens onderzoeken
72.
Eigen schuld, dikke bult
a)
Je bent zelf verantwoordelijk voor je daden.
b)
met (veel) bagage
c)
De waarheid komt altijd aan het licht.
d)
opzettelijk en bewust
73.
emigreerde
a)
verhuisde
b)
Een gast moet niet te lang blijven.
c)
goed past
d)
had succes
74.
formeel
a)
officieel; deftig
b)
liet op zich wachten
c)
Als twee mensen ruzie maken om iets, krijgt een ander meestal het voordeel.
d)
zonder schaamte
75.
geïntroduceerd
a)
op de markt gebracht
b)
helemaal niets, geen enkel woord
c)
Het helpt misschien niet, maar het kan in elk geval ook geen kwaad
d)
begonnen
76.
goudmijn
a)
iets wat voordeel oplevert
b)
tot allerlei kleuren
c)
met (veel) bagage
d)
De waarheid komt altijd aan het licht.
77.
gouwe ouwe
a)
succes van vroeger
b)
prettig
c)
Een gast moet niet te lang blijven.
d)
goed past
78.
groen en geel
a)
heel erg
b)
de leuke en de minder leuke dingen
c)
liet op zich wachten
d)
Als twee mensen ruzie maken om iets, krijgt een ander meestal het voordeel.
79.
Haastige spoed is zelden goed.
a)
Als je te snel werkt, maak je fouten.
b)
je uitgaven aanpassen aan je inkomsten
c)
helemaal niets, geen enkel woord
d)
Het helpt misschien niet, maar het kan in elk geval ook geen kwaad
80.
handel en wandel
a)
achtergronden, handelingen en gedrag
b)
versieringen
c)
met (veel) bagage
81.
heg noch steg
a)
in het geheel de weg niet
b)
ijzersterk katoen
c)
prettig
d)
Een gast moet niet te lang blijven.
82.
het reilen en zeilen
a)
alles wat gebeurt
b)
door veel tegenslagen
c)
de leuke en de minder leuke dingen
d)
liet op zich wachten
83.
hippies
a)
modern denkende mensen
b)
door moeilijkheden gaan
c)
je uitgaven aanpassen aan je inkomsten
d)
ouderwetse jeugdstroming
84.
hoog en droog
a)
veilig en wel
b)
ruim
c)
versieringen
d)
tot allerlei kleuren
85.
hoteldebotel
a)
dol, stapelgek
b)
Meestal maak je niet twee keer dezelfde fout
c)
ijzersterk katoen
d)
chaotisch verblijf
86.
in geuren en kleuren
a)
uitvoerig, met alle bijzonderheden
b)
De angst voor iets is meestal erger dan de gebeurtenis zelf.
c)
door veel tegenslagen
d)
de leuke en de minder leuke dingen
87.
in kannen en kruiken
a)
klaar
b)
Je bent zelf verantwoordelijk voor je daden.
c)
door moeilijkheden gaan
d)
je uitgaven aanpassen aan je inkomsten
88.
Jan en alleman
a)
iedereen
b)
verhuisde
c)
Premier van 1966-1971
d)
versieringen
89.
kant en klaar
a)
voor gebruik gereed
b)
officieel; deftig
c)
Meestal maak je niet twee keer dezelfde fout
d)
ijzersterk katoen
90.
kind noch kraai
a)
helemaal niemand
b)
op de markt gebracht
c)
De angst voor iets is meestal erger dan de gebeurtenis zelf.
d)
door veel tegenslagen
91.
klinknageltjes
a)
kleine spijkertjes
b)
iets wat voordeel oplevert
c)
Je bent zelf verantwoordelijk voor je daden.
d)
door moeilijkheden gaan
92.
koetjes en kalfjes
a)
onbelangrijke dingen
b)
succes van vroeger
c)
verhuisde
d)
ruim
93.
lieten links liggen
a)
schonken er geen aandacht aan
b)
heel erg
c)
officieel; deftig
d)
Engelse verkeersregel
94.
logo
a)
beeldmerk
b)
Als je te snel werkt, maak je fouten.
c)
op de markt gebracht
d)
De angst voor iets is meestal erger dan de gebeurtenis zelf.
95.
met huid en haar
a)
volledig
b)
achtergronden, handelingen en gedrag
c)
iets wat voordeel oplevert
d)
Je bent zelf verantwoordelijk voor je daden.
96.
met man en macht
a)
met alle mogelijkheden en mensen die je hebt
b)
in het geheel de weg niet
c)
succes van vroeger
d)
verhuisde
97.
met man en muis
a)
met alle opvarenden
b)
alles wat gebeurt
c)
heel erg
d)
officieel; deftig
98.
monopolie
a)
alleenrecht; wettelijke bevoegdheid om als enige te handelen
b)
modern denkende mensen
c)
Als je te snel werkt, maak je fouten.
d)
op de markt gebracht
99.
onderscheid
a)
verschil
b)
veilig en wel
c)
achtergronden, handelingen en gedrag
d)
iets wat voordeel oplevert
100.
op stel en sprong
a)
meteen, onmiddellijk
b)
dol, stapelgek
c)
in het geheel de weg niet
d)
succes van vroeger
101.
opbrengen
a)
betalen
b)
uitvoerig, met alle bijzonderheden
c)
alles wat gebeurt
d)
heel erg
102.
paal en perk
a)
grenzen
b)
klaar
c)
modern denkende mensen
d)
Als je te snel werkt, maak je fouten.
103.
patent
a)
monopolie (alleenrecht) op de productie van iets.
b)
iedereen
c)
veilig en wel
d)
achtergronden, handelingen en gedrag
104.
postuur
a)
figuur
b)
voor gebruik gereed
c)
dol, stapelgek
d)
in het geheel de weg niet
105.
potentiële
a)
mogelijke
b)
helemaal niemand
c)
uitvoerig, met alle bijzonderheden
d)
alles wat gebeurt
106.
raad en daad
a)
advies en hulp
b)
belastinghulp
c)
klaar
d)
ongevraagde hulp
107.
steen en been
a)
langdurig en met veel lawaai
b)
onbelangrijke dingen
c)
iedereen
d)
veilig en wel
108.
stond symbool
a)
was een teken
b)
schonken er geen aandacht aan
c)
voor gebruik gereed
d)
dol, stapelgek
109.
tegen heug en meug
a)
met grote tegenzin
b)
beeldmerk
c)
helemaal niemand
d)
uitvoerig, met alle bijzonderheden
110.
toentertijd
a)
toen
b)
volledig
c)
kleine spijkertjes
d)
klaar
111.
tot dusver
a)
tot die tijd; tot zover als we nu zijn
b)
met alle mogelijkheden en mensen die je hebt
c)
onbelangrijke dingen
d)
iedereen
112.
trend
a)
mode
b)
met alle opvarenden
c)
schonken er geen aandacht aan
d)
voor gebruik gereed
113.
Twee geloven op een kussen, daar slaapt de duivel tussen.
a)
Een gemengd huwelijk gaat bijna nooit goed.
b)
alleenrecht; wettelijke bevoegdheid om als enige te handelen
c)
beeldmerk
d)
helemaal niemand
114.
twisten
a)
ruziën
b)
verschil
c)
volledig
d)
kleine spijkertjes
115.
van top tot teen
a)
helemaal, geheel en al
b)
meteen, onmiddellijk
c)
met alle mogelijkheden en mensen die je hebt
d)
onbelangrijke dingen
116.
was de kogel door de kerk
a)
namen ze een beslissing
b)
betalen
c)
met alle opvarenden
d)
schonken er geen aandacht aan
117.
Wie goed doet, goed ontmoet.
a)
Goede daden worden altijd beloond.
b)
de appel valt niet ver van de boom
c)
alleenrecht; wettelijke bevoegdheid om als enige te handelen
d)
beeldmerk
118.
Wie het kleine niet eert, is het grote niet weerd.
a)
Je moet blij zijn met iets kleins.
b)
monopolie (alleenrecht) op de productie van iets.
c)
verschil
d)
volledig
119.
Wie niet waagt, die niet wint.
a)
Zonder proberen kom je niet vooruit.
b)
hopeloze zaak beginnen
c)
meteen, onmiddellijk
d)
met alle mogelijkheden en mensen die je hebt
120.
wijd en zijd
a)
overal
b)
mogelijke
c)
betalen
d)
met alle opvarenden
121.
wikken en wegen
a)
de voors en tegens onderzoeken
b)
advies en hulp
c)
grenzen
d)
alleenrecht; wettelijke bevoegdheid om als enige te handelen
122.
willens en wetens
a)
opzettelijk en bewust
b)
langdurig en met veel lawaai
c)
monopolie (alleenrecht) op de productie van iets.
d)
verschil
123.
won terrein
a)
had succes
b)
was een teken
c)
figuur
d)
meteen, onmiddellijk
124.
zonder blikken of blozen
a)
zonder schaamte
b)
met grote tegenzin
c)
mogelijke
d)
betalen
Reset
