wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Herhaling zinsleer 2A

Total questions: 55

Worksheet time: 2hrs 50mins

Name
Class
Date
1.

Vorige maandag heb ik een heerlijk ontbijt klaargemaakt.


Wat is het onderwerp?

(a)  

2.

Vorige maandag heb ik een heerlijk ontbijt klaargemaakt.


Wat is het gezegde?

(a)  

3.

De atleet gaf na twintig kilometer in een klein dorpje op.


Wat is het onderwerp?

(a)  

4.

De atleet gaf na twintig kilometer in een klein dorpje op.

Wat is het gezegde?

(a)  

5.

Vandaag vergaderen we in een lekker koel lokaal.


Wat is het onderwerp?

(a)  

6.

Vandaag vergaderen we in een lekker koel lokaal.


Wat is het gezegde?

(a)  

7.

Tijdens de wedstrijd las Sophie het boek aan haar jongere zusje voor.

Wat is het onderwerp?

a)

Sophie

b)

las

c)

tijdens de wedstrijd

d)

las voor

8.

Tijdens de wedstrijd las Sophie het boek aan haar jongere zusje voor.

Wat is het gezegde?

a)

Sophie

b)

las

c)

tijdens de wedstrijd

d)

las voor

9.

Op die vuilnisbelt lag veel groenteafval.

Wat is het gezegde?

a)

Op die vuilnisbelt

b)

veel

c)

lag

d)

veel groenteafval

10.

Benoem het gekleurde gedeelte:

Onze wiskundeleraar leerde ons gisteren de stelling van Pythagoras.

(a)  

11.

Benoem het gekleurde gedeelte:

Onze wiskundeleraar leerde ons gisteren de stelling van Pythagoras.

(a)  

12.

Benoem het gekleurde gedeelte:
Onze wiskundeleraar leerde ons gisteren de stelling van Pythagoras.

(a)  

13.

Benoem het gekleurde gedeelte: Onze wiskundeleraar leerde ons gisteren de stelling van Pythagoras.

(a)  

14.

Benoem het gekleurde gedeelte:
Onze wiskundeleraar leerde ons gisteren de stelling van Pythagoras.

(a)  

15.

Benoem het gekleurde gedeelte: De medewerker van de webshop heeft jouw moeder de verkeerde kleding opgestuurd.

(a)  

16.

Benoem het gekleurde gedeelte: De webshop heeft jouw moeder de verkeerde kleding opgestuurd.

(a)  

17.

Benoem het gekleurde gedeelte: De webshop heeft jouw moeder de verkeerde kleding opgestuurd.

(a)  

18.

Benoem het gekleurde gedeelte: De webshop heeft jouw moeder de verkeerde kleding opgestuurd.

(a)  

19.

Benoem het gekleurde gedeelte: De webshop heeft jouw moeder de verkeerde kleding opgestuurd.

(a)  

20.

Sigrid stuurt een kaartje naar haar nichtje.

Het onderstreepte zinsdeel is...

a)

Persoonsvorm

b)

Onderwerp

c)

Gezegde

d)

Lijdend voorwerp

e)

Meewerkend voorwerp

21.

Richard heeft de trein bestuurd.

Het onderstreepte zinsdeel is...

a)

Persoonsvorm

b)

Onderwerp

c)

Gezegde

d)

Lijdend voorwerp

e)

Meewerkend voorwerp

22.

Denise doet thuis de afwas.

Het onderstreepte zinsdeel is...

a)

Persoonsvorm

b)

Onderwerp

c)

Gezegde

d)

Lijdend voorwerp

e)

BWB

23.

Meneer Willems heeft klas 2A een bijzondere tekenopdracht gegeven.

Het onderstreepte zinsdeel is...

a)

Onderwerp

b)

Gezegde

c)

Lijdend voorwerp

d)

Meewerkend voorwerp

e)

BWB

24.

Karel schildert een heel mooi schilderij

Het onderstreepte zinsdeel is...

a)

Onderwerp

b)

Gezegde

c)

Lijdend voorwerp

d)

Meewerkend voorwerp

e)

BWB

25.

Januari bracht dit jaar veel regen.

a)

werkwoordelijk gezegde

b)

naamwoordelijk gezegde

26.

Het spatbord was snel gerepareerd.

a)

werkwoordelijk gezegde

b)

naamwoordelijk gezegde

27.

Hoelang is hij al populair?

a)

werkwoordelijk gezegde

b)

naamwoordelijk gezegde

28.

Uiteindelijk is ook hij volwassen geworden.

a)

werkwoordelijk gezegde

b)

naamwoordelijk gezegde

29.

We hebben een jaar voor dit reisje gespaard.

a)

werkwoordelijk gezegde

b)

naamwoordelijk gezegde

30.

AA Gent leed een grote nederlaag.

a)

werkwoordelijk gezegde

b)

naamwoordelijk gezegde

31.

Hij las het verslag aan het begin van de vergadering voor.

a)

werkwoordelijk gezegde

b)

naamwoordelijk gezegde

32.

Het bouwen van die brug was niet gemakkelijk.

a)

werkwoordelijk gezegde

b)

naamwoordelijk gezegde

33.

Het blussen van de brand duurde uren.

a)

werkwoordelijk gezegde

b)

naamwoordelijk gezegde

34.

Wanneer knap jij die fiets eens op?

a)

werkwoordelijk gezegde

b)

naamwoordelijk gezegde

35.

Deze oplossing lijkt mij erg goed.

a)

werkwoordelijk gezegde

b)

naamwoordelijk gezegde

36.

Hij is vroeger een uitstekende schaatster geweest.

a)

werkwoordelijk gezegde

b)

naamwoordelijk gezegde

37.

Waarom hebben jullie hem dat niet verteld?

a)

werkwoordelijk gezegde

b)

naamwoordelijk gezegde

38.

Volgens de minister blijft de hulp noodzakelijk.

a)

werkwoordelijk gezegde

b)

naamwoordeliik gezegde

39.

Benoem het onderstreepte zinsdeel.

Wij rekenen op een kladblaadje.

a)

Voorzetselvoorwerp

b)

Bijwoordelijke bepaling

c)

Lijdend voorwerp

d)

Meewerkend voorwerp

40.

Benoem het onderstreepte zinsdeel.

Wij rekenen op je komst.

a)

Voorzetselvoorwerp

b)

Bijwoordelijke bepaling

c)

Lijdend voorwerp

d)

Meewerkend voorwerp

41.

Benoem het onderstreepte zinsdeel.

De leerlingen hingen aan haar lippen.

a)

Voorzetselvoorwerp

b)

Bijwoordelijke bepaling

c)

Lijdend voorwerp

d)

Meewerkend voorwerp

42.

Benoem het onderstreepte zinsdeel.

De leerlingen hingen aan het rek.

a)

Voorzetselvoorwerp

b)

Bijwoordelijke bepaling

c)

Lijdend voorwerp

d)

Meewerkend voorwerp

43.

Benoem het onderstreepte zinsdeel.

Blijf met je vingers van mijn auto af.

a)

Voorzetselvoorwerp

b)

Bijwoordelijke bepaling

c)

Lijdend voorwerp

d)

Meewerkend voorwerp

44.

Benoem het onderstreepte zinsdeel.

Ik geef de verbeterde toets terug aan de leerlingen.

a)

Voorzetselvoorwerp

b)

Bijwoordelijke bepaling

c)

Lijdend voorwerp

d)

Meewerkend voorwerp

45.

Benoem het onderstreepte zinsdeel.

Mijn jas hangt aan de kapstok.

a)

Voorzetselvoorwerp

b)

Bijwoordelijke bepaling

c)

Lijdend voorwerp

d)

Meewerkend voorwerp

46.

Benoem het onderstreepte zinsdeel.

Ik verwonder me over zijn gedrag.

a)

Voorzetselvoorwerp

b)

Bijwoordelijke bepaling

c)

Lijdend voorwerp

d)

Meewerkend voorwerp

47.

Benoem het onderstreepte zinsdeel.

Ik sta te wachten op mijn moeder.

a)

Voorzetselvoorwerp

b)

Bijwoordelijke bepaling

c)

Meewerkend voorwerp

d)

Lijdend voorwerp

48.

Benoem het onderstreepte zinsdeel.

De hondjes eten hun brokjes gulzig op.

a)

Voorzetselvoorwerp

b)

Bijwoordelijke bepaling

c)

Meewerkend voorwerp

d)

Lijdend voorwerp

49.

Benoem het onderstreepte zinsdeel.

De baasjes geven hun hond een lekker brokje als beloning.

a)

Voorzetselvoorwerp

b)

Bijwoordelijke bepaling

c)

Lijdend voorwerp

d)

Meewerkend voorwerp

50.

Benoem het onderstreepte zinsdeel.

De leraar ergert zich aan de muziek.

a)

Voorzetselvoorwerp

b)

Bijwoordelijke bepaling

c)

Lijdend voorwerp

d)

Meewerkend voorwerp

51.

Benoem het onderstreepte zinsdeel.

Zij is erg geschikt voor dit werk.

a)

Voorzetselvoorwerp

b)

Bijwoordelijke bepaling

c)

Lijdend voorwerp

d)

Meewerkend voorwerp

52.

Benoem het onderstreepte zinsdeel.

Anne koopt brood bij de bakker.

a)

Voorzetselvoorwerp

b)

Bijwoordelijke bepaling

c)

Lijdend voorwerp

d)

Meewerkend voorwerp

53.

Benoem het onderstreepte zinsdeel.

Het meisje hing haar jas aan de kapstok.

a)

Voorzetselvoorwerp

b)

Bijwoordelijke bepaling

c)

Lijdend voorwerp

d)

Meewerkend voorwerp

54.

Benoem het onderstreepte zinsdeel.

Ik verwonder me over zijn gedrag.

a)

Voorzetselvoorwerp

b)

Bijwoordelijke bepaling

c)

Lijdend voorwerp

d)

Meewerkend voorwerp

55.

Benoem het onderstreepte zinsdeel.

Ik hou van mijn liefje.

a)

Voorzetselvoorwerp

b)

Bijwoordelijke bepaling

c)

Meewerkend voorwerp

d)

Lijdend voorwerp

Similar Resources on Wayground