WorksheetsHerhaling zinsleer 2A
Total questions: 55
Worksheet time: 2hrs 50mins
Vorige maandag heb ik een heerlijk ontbijt klaargemaakt.
Wat is het onderwerp?
(a)
Vorige maandag heb ik een heerlijk ontbijt klaargemaakt.
Wat is het gezegde?
(a)
De atleet gaf na twintig kilometer in een klein dorpje op.
Wat is het onderwerp?
(a)
De atleet gaf na twintig kilometer in een klein dorpje op.
Wat is het gezegde?
(a)
Vandaag vergaderen we in een lekker koel lokaal.
Wat is het onderwerp?
(a)
Vandaag vergaderen we in een lekker koel lokaal.
Wat is het gezegde?
(a)
Tijdens de wedstrijd las Sophie het boek aan haar jongere zusje voor.
Wat is het onderwerp?
Sophie
las
tijdens de wedstrijd
las voor
Tijdens de wedstrijd las Sophie het boek aan haar jongere zusje voor.
Wat is het gezegde?
Sophie
las
tijdens de wedstrijd
las voor
Op die vuilnisbelt lag veel groenteafval.
Wat is het gezegde?
Op die vuilnisbelt
veel
lag
veel groenteafval
Benoem het gekleurde gedeelte:
Onze wiskundeleraar leerde ons gisteren de stelling van Pythagoras.
(a)
Benoem het gekleurde gedeelte:
Onze wiskundeleraar leerde ons gisteren de stelling van Pythagoras.
(a)
Benoem het gekleurde gedeelte:
Onze wiskundeleraar leerde ons gisteren de stelling van Pythagoras.
(a)
Benoem het gekleurde gedeelte:
Onze wiskundeleraar leerde ons gisteren de stelling van Pythagoras.
(a)
Benoem het gekleurde gedeelte:
Onze wiskundeleraar leerde ons gisteren de stelling van Pythagoras.
(a)
Benoem het gekleurde gedeelte: De medewerker van de webshop heeft jouw moeder de verkeerde kleding opgestuurd.
(a)
Benoem het gekleurde gedeelte: De webshop heeft jouw moeder de verkeerde kleding opgestuurd.
(a)
Benoem het gekleurde gedeelte: De webshop heeft jouw moeder de verkeerde kleding opgestuurd.
(a)
Benoem het gekleurde gedeelte: De webshop heeft jouw moeder de verkeerde kleding opgestuurd.
(a)
Benoem het gekleurde gedeelte: De webshop heeft jouw moeder de verkeerde kleding opgestuurd.
(a)
Sigrid stuurt een kaartje naar haar nichtje.
Het onderstreepte zinsdeel is...
Persoonsvorm
Onderwerp
Gezegde
Lijdend voorwerp
Meewerkend voorwerp
Richard heeft de trein bestuurd.
Het onderstreepte zinsdeel is...
Persoonsvorm
Onderwerp
Gezegde
Lijdend voorwerp
Meewerkend voorwerp
Denise doet thuis de afwas.
Het onderstreepte zinsdeel is...
Persoonsvorm
Onderwerp
Gezegde
Lijdend voorwerp
BWB
Meneer Willems heeft klas 2A een bijzondere tekenopdracht gegeven.
Het onderstreepte zinsdeel is...
Onderwerp
Gezegde
Lijdend voorwerp
Meewerkend voorwerp
BWB
Karel schildert een heel mooi schilderij.
Het onderstreepte zinsdeel is...
Onderwerp
Gezegde
Lijdend voorwerp
Meewerkend voorwerp
BWB
Januari bracht dit jaar veel regen.
werkwoordelijk gezegde
naamwoordelijk gezegde
Het spatbord was snel gerepareerd.
werkwoordelijk gezegde
naamwoordelijk gezegde
Hoelang is hij al populair?
werkwoordelijk gezegde
naamwoordelijk gezegde
Uiteindelijk is ook hij volwassen geworden.
werkwoordelijk gezegde
naamwoordelijk gezegde
We hebben een jaar voor dit reisje gespaard.
werkwoordelijk gezegde
naamwoordelijk gezegde
AA Gent leed een grote nederlaag.
werkwoordelijk gezegde
naamwoordelijk gezegde
Hij las het verslag aan het begin van de vergadering voor.
werkwoordelijk gezegde
naamwoordelijk gezegde
Het bouwen van die brug was niet gemakkelijk.
werkwoordelijk gezegde
naamwoordelijk gezegde
Het blussen van de brand duurde uren.
werkwoordelijk gezegde
naamwoordelijk gezegde
Wanneer knap jij die fiets eens op?
werkwoordelijk gezegde
naamwoordelijk gezegde
Deze oplossing lijkt mij erg goed.
werkwoordelijk gezegde
naamwoordelijk gezegde
Hij is vroeger een uitstekende schaatster geweest.
werkwoordelijk gezegde
naamwoordelijk gezegde
Waarom hebben jullie hem dat niet verteld?
werkwoordelijk gezegde
naamwoordelijk gezegde
Volgens de minister blijft de hulp noodzakelijk.
werkwoordelijk gezegde
naamwoordeliik gezegde
Benoem het onderstreepte zinsdeel.
Wij rekenen op een kladblaadje.
Voorzetselvoorwerp
Bijwoordelijke bepaling
Lijdend voorwerp
Meewerkend voorwerp
Benoem het onderstreepte zinsdeel.
Wij rekenen op je komst.
Voorzetselvoorwerp
Bijwoordelijke bepaling
Lijdend voorwerp
Meewerkend voorwerp
Benoem het onderstreepte zinsdeel.
De leerlingen hingen aan haar lippen.
Voorzetselvoorwerp
Bijwoordelijke bepaling
Lijdend voorwerp
Meewerkend voorwerp
Benoem het onderstreepte zinsdeel.
De leerlingen hingen aan het rek.
Voorzetselvoorwerp
Bijwoordelijke bepaling
Lijdend voorwerp
Meewerkend voorwerp
Benoem het onderstreepte zinsdeel.
Blijf met je vingers van mijn auto af.
Voorzetselvoorwerp
Bijwoordelijke bepaling
Lijdend voorwerp
Meewerkend voorwerp
Benoem het onderstreepte zinsdeel.
Ik geef de verbeterde toets terug aan de leerlingen.
Voorzetselvoorwerp
Bijwoordelijke bepaling
Lijdend voorwerp
Meewerkend voorwerp
Benoem het onderstreepte zinsdeel.
Mijn jas hangt aan de kapstok.
Voorzetselvoorwerp
Bijwoordelijke bepaling
Lijdend voorwerp
Meewerkend voorwerp
Benoem het onderstreepte zinsdeel.
Ik verwonder me over zijn gedrag.
Voorzetselvoorwerp
Bijwoordelijke bepaling
Lijdend voorwerp
Meewerkend voorwerp
Benoem het onderstreepte zinsdeel.
Ik sta te wachten op mijn moeder.
Voorzetselvoorwerp
Bijwoordelijke bepaling
Meewerkend voorwerp
Lijdend voorwerp
Benoem het onderstreepte zinsdeel.
De hondjes eten hun brokjes gulzig op.
Voorzetselvoorwerp
Bijwoordelijke bepaling
Meewerkend voorwerp
Lijdend voorwerp
Benoem het onderstreepte zinsdeel.
De baasjes geven hun hond een lekker brokje als beloning.
Voorzetselvoorwerp
Bijwoordelijke bepaling
Lijdend voorwerp
Meewerkend voorwerp
Benoem het onderstreepte zinsdeel.
De leraar ergert zich aan de muziek.
Voorzetselvoorwerp
Bijwoordelijke bepaling
Lijdend voorwerp
Meewerkend voorwerp
Benoem het onderstreepte zinsdeel.
Zij is erg geschikt voor dit werk.
Voorzetselvoorwerp
Bijwoordelijke bepaling
Lijdend voorwerp
Meewerkend voorwerp
Benoem het onderstreepte zinsdeel.
Anne koopt brood bij de bakker.
Voorzetselvoorwerp
Bijwoordelijke bepaling
Lijdend voorwerp
Meewerkend voorwerp
Benoem het onderstreepte zinsdeel.
Het meisje hing haar jas aan de kapstok.
Voorzetselvoorwerp
Bijwoordelijke bepaling
Lijdend voorwerp
Meewerkend voorwerp
Benoem het onderstreepte zinsdeel.
Ik verwonder me over zijn gedrag.
Voorzetselvoorwerp
Bijwoordelijke bepaling
Lijdend voorwerp
Meewerkend voorwerp
Benoem het onderstreepte zinsdeel.
Ik hou van mijn liefje.
Voorzetselvoorwerp
Bijwoordelijke bepaling
Meewerkend voorwerp
Lijdend voorwerp
