wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Oefentoets Unit 2.2 and 3 2HV

Total questions: 20

Worksheet time: 18mins

Name
Class
Date
1.

Welke kolom van de onregelmatige werkwoorden is de past simple?

a)

1e

b)

2e

c)

3e

2.

Achter een regelmatig komt (a)   om er de verleden tijd van te maken.

3.

Als je een ja/nee-vraag maakt in de verleden tijd begint die vraag met...

(a)  

4.

Vertaal deze zin: Ik heb niet een appel gegeten vanmorgen.

(a)  

5.

Many gebruik je als iets kunt...

(a)  

6.

Much gebruik je bij...

a)

Bevestigende zinnen

b)

Vraagzinnen

c)

Ontkenningen

d)

Vraagzinnen en ontkenningen

7.

Little betekent:

(a)  

8.

A little betekent:

(a)  

9.

De betrekkelijk voornaamwoorden who en which kunnen verwijzen naar:

a)

plaatsen

b)

dieren

c)

dingen

d)

personen

10.

Vul in: The boy _____ cat just died will stay at home today.

a)

whose

b)

which

c)

that

d)

whom

11.

Kun je een betrekkelijk voornaamwoorde weglaten uit een zin?

a)

Nee, nooit.

b)

Ja, als het niet tussen komma's staat.

c)

Ja, altijd.

12.

Een bijvoeglijk naamwoord beschrijft een..

(a)  

13.

De overtreffende trap voor good is:

a)

gooder

b)

goodst

c)

better

d)

the best

14.

Wat komt er achter een KORT bijvoeglijk naamwoord om er de vergrotende en overtreffende trap van te maken?

(a)  

15.

Wat is de vergrotende trap van beautiful?

(a)  

16.

Wat komt er voor beautiful als je er de overtreffende trap van wil maken?

(a)  

17.

Hoe zeg je dat Max Verstappen de duurste auto rijdt?

(a)  

18.

Het voltooid deelwoord is de ___ kolom van de onregelmatige werkwoorden.

a)

1e

b)

2e

c)

3e

19.

Welke werkwoorden gebruik je bij de present perfect?

a)

de juiste vorm van to be

b)

de juiste vorm van have

c)

Alleen het voltooid deelwoord

20.

Zeg dat je NET een toets (test) had.

(a)