Font size
WorksheetsTheorie quiz drama 2022
Total questions: 10
Worksheet time: 6mins
Spelgegevens zijn
emoties
status
Wie, wat, waar, wanneer, waarom
subtekst
Verhaalopbouw. Zet de volgende begrippen in de juiste volgorde:
afloop, ontwikkeling, climax, expositie, motorisch moment
(a)
Verhaalopbouw. Het motorisch moment is in het sprookje Roodkapje als
Roodkapje eten naar oma gaat brengen
Roodkapje ziet dat de wolf in oma's bed ligt
De wolf te zien is in het bos waar Roodkapje loopt
De jager oma redt
Als er wordt gevraagd naar de spelwerkelijkheid wanneer we kijken naar een toneelstuk in een kasteel in 1618 met prinsen en prinsessen is een goed antwoord
Het zijn allemaal acteurs die verkleed zijn.
Het zijn leerlingen die een schooltoneelstuk opvoeren.
Het zijn prinsen en prinsessen en ze wonen in een kasteel. Het is 1618.
Het is 20 uur in de avond als de voorstelling begint.
Wat klopt niet? De subtekst is
De tekst die letterlijk uitgesproken wordt.
Een subtekst is altijd in de ik-vorm.
Een subtekst is ongeveer net zo lang als de tekst.
De subtekst kun je laten zien door mimiek.
Een dialoog heeft 4 clausen. Dit betekent dat:
er in totaal 4 keer iemand aan het woord is
er vier regels zijn
er vier acteurs zijn
er vier keer 1 acteur aan het woord is
Als er wordt gevraagd naar een acteur die in een fragment een hoge status speelt dan
schrijf ik: hij is zelfverzekerd
schrijf ik: hij doet arrogant
dan benoem ik de objectieve kenmerken, zoals gesloten houding, maakt zich klein
dan benoem ik de objectieve kenmerken, zoals neemt veel ruimte in, borst vooruit
Emoties in een dialoog schrijf ik
tussen haakjes
tussen aanhalingstekens
met grote letters
na de uitgesproken tekst
Het ruimtelijk vormgeven van een scene of toneelstuk is:
regisseren
dramatiseren
esceneren
mis-en-scene
Wat is geen vormgevingsmiddel?
muziek
script
licht
geluid
