wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

spijsvertering 20BMF

Total questions: 27

Worksheet time: 43mins

Name
Class
Date
1.

Maak een tekening van het poortadersysteem van het spijsverteringsstelsel. Neem in je tekening minimaal op: darm, maag, pancreas, lever, poortader

2.

Welke voedingstof moet je verteren voor het opgenomen kan worden?

a)

Glucose

b)

Mineralen

c)

Water

d)

Zetmeel

3.

Dit doodt bacteriën.

a)

Alvleessap

b)

Gal

c)

Maagzuur

d)

Darmsap

4.
Hoe heet orgaan 1?
a)
Dikke darm
b)
Dunne darm
c)
Endeldarm
d)
Twaalfvingerige darm
5.

Dit sap zorgt ervoor dat vet en water kunnen mengen.

a)

Alvleessap

b)

Gal

c)

Maagsap

d)

Speeksel

6.

Hier wordt de voedselbrij ingedikt.

a)

Dikke darm

b)

Dunne darm

c)

Twaalfvingerige darm

7.
Welk orgaan maakt gal?
a)
5
b)
6
c)
7
d)
8
8.
Wat is de functie van bouwstoffen
a)
Groei, ontwikkeling en herstel
b)
Verbranding
c)
Vernieuwing
9.
Enzymen zorgen ervoor dat.....
a)
De verteringsreactie wordt versneld
b)
De voedingstoffen door het verteringsstelsel worden geduwd
c)
Vet met water kan mengen
d)
Bacteriën worden gedood
10.
Welk van de onderstaande sappen bevatten enzymen
a)
Alvleessap en speeksel
b)
Alvleessap en maagzuur
c)
Gal en maagzuur
d)
Gal en speeksel
11.
Dit sap verteert vetten, eiwitten en zetmeel.
a)
Alvleessap
b)
Gal
c)
Maagsap
d)
Speeksel
12.

Waarom verteert maagsap alleen maar eiwitten en speeksel alleen zetmeel?

a)

Beide verteringssappen bezitten dezelfde enzymen die op een andere manier werken.

b)

Beide verteringssappen bezitten verschillende enzymen die maar op één specifieke voedingsstof werken.

c)

Speeksel verteert alleen zetmeel, omdat eiwitten te groot zijn om daar al verteerd te worden.

d)

Maagsap verteert geen zetmeel meer, omdat het al door speeksel verteerd is.

13.

galbuis

a)

buis van de lever naar de galblaas

b)

buis van de galblaas naar de alvleesklier

c)

buis van de galblaas naar de twaalfvingerige darm

d)

buis van de alvleesklier naar de galblaas

14.

Basisstof 7: Hoe heet deze kringspier die af en toe voedsel doorlaat?

a)

maagdeur

b)

maagpoort

c)

maagportier

15.

Wat is een mogelijke complicatie van een middenrifbreuk?

a)

oesophagitis

b)

overgewicht

c)

gastroscopie

d)

medcijnen

16.

De maag heeft een pH van

a)

2

b)

5

c)

7

d)

9

17.

Wat is de rol van natriumbicarbonaat in de dunne darm?

a)

Het maakt de spijsbrij zuurder.

b)

Het neutraliseert de spijsbrij.

c)

Het stimuleert de afgifte van pancreassap.

d)

het zorgt ervoor dat het eiwitsplitsend enzym trypsine gevormd wordt.

18.

de pancreas is een ...

(meerdere antwoorden mogelijke)

a)

endocrien orgaan

b)

exocrien orgaan

c)

enzym

d)

stuk van de dunne darm

19.

Wat geeft nummer 7 aan?

(a)  

20.

Wat geeft nummer 12 aan?

(a)  

21.

Teken de alvleesklier en neem de benamingen kop, lichaam en staart in je tekening op.

22.

In de maag van de mens vindt met behulp van het enzym pepsine vertering plaats. Wanneer het voedsel in de twaalfvingerige darm terecht komt, stopt de werking van pepsine na enige tijd. Wat is hiervan de oorzaak?

a)

De temperatuur in de twaalfvingerige darm maakt pepsine onwerkzaam.

b)

De pH in de twaalfvingerige darm maakt pepsine onwerkzaam.

c)

Het toevoegen van gal in de twaalfvingerige darm maakt pepsine onwerkzaam.

d)

In de twaalfvingerige darm wordt het voedsel door andere enzymen dan pepsine verteerd.

23.

Glucose is een

a)

monosacharide

b)

disacharide

c)

polysacharide

d)

aminozuur

24.

Tot welke groep behoort het molecuul: sacharose

a)

Koolhydraten

b)

Vetten

c)

Eiwitten/ aminozuren

d)

DNA/RNA

25.

Tot welke groep behoort het molecuul: hemoglobine.

a)

Koolhydraten

b)

Vetten

c)

Eiwitten/ aminozuren

d)

DNA/RNA

26.

V

Het hormoon insuline is een eiwit. Indien iemand een tekot aan insuline heeft, kan dit tekort worden aangevuld door dit hormoon in te spuiten. De concentratie van insuline in het bloed kan niet worden verhoogd door dit hormoon via de mond in te nemen. De verklaring hiervoor is dat:

a)

insuline in het darmkanaal wordt verteerd

b)

insuline de werking van de lever beïnvloedt en niet die van het darmkanaal

c)

insuline, direct na opname in het bloed vanuit het darmkanaal, in de lever komt, waar het wordt afgebroken

d)

toename van de insulineconcentratie in de dunne darm de afgifte van insuline door de alvleesklier remt

27.

Eiwitten worden verteerd door

a)

maagsap en alvleessap

b)

gal en maagsap

c)

speeksel en alvleessap

d)

speeksel en gal