Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

2KGT H4 4.3+4.4

Total questions: 20

Worksheet time: 12mins

Name
Class
Date
1.

Kies de twee juiste beweringen. Welke straffen kreeg Duitsland in het Verdrag van Versailles opgelegd? 

a)

Duitsland mag geen groot leger meer hebben.

b)

De Duitsers mogen nooit meer hun volkslied zingen en de Duitse vlag wordt verboden.

c)

Duitsland moet stukken grondgebied afstaan. 

d)

Duitse soldaten moeten hun salaris afstaan aan Frankrijk. 

2.

Na de Eerste Wereldoorlog vluchtte de Duitse keizer naar Nederland. Hoe werd Duitsland toen bestuurd?

a)

Niemand was de baas in Duitsland. Daarom werd het er ook zo’n zooitje na de Eerste Wereldoorlog. 

b)

Duitsland werd een monarchie. Het volk bepaalde tijdens verkiezingen wie er de baas was. 

c)

Duitsland werd een republiek. Het volk bepaalde tijdens verkiezingen wie er de baas was. 

d)

Hitler werd direct na de Eerste Wereldoorlog de baas. 

3.

Duitsland werd na de Eerste Wereldoorlog bestraft en kreeg officieel schuld voor het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog. Met welk verdrag kwam er een einde aan WO I?

a)

Verdrag van Maastricht

b)

Verdrag van Waterloo

c)

Verdrag van Londen

d)

Verdrag van Versailles

4.

In 1924 ging het even beter met Duitsland. Hoe kwam dit?

[...1...] leenden veel geld aan [...2...]. Met dit geld konden de herstelbetalingen aan [...3...] worden betaald.

a)

1 = de VS

2 = Duitsland

3 = Frankrijk

b)

1 = Frankrijk

2 = Duitsland

3 = de VS

c)

1 = de VS

2 = Frankrijk

3 = Duitsland

d)

1 = Frankrijk

2 = de VS

3 = Duitsland

5.

De crisis in 1929 werd veel erger gevoeld in Duitsland dan in andere landen. Hoe kwam dit?

a)

Duitsland had veel banken uit de Verenigde Staten in het land waardoor het de crisis direct merkte.

b)

Duitsland kreeg geen geld meer van het Dawesplan en moest het geleende geld direct terugbetalen.

c)

Duitsland had veel geld bijgedrukt waardoor het geld in Duitsland veel minder waard werd.

d)

Duitsland kreeg geen herstelbetalingen meer van Frankrijk en de VS.

6.

Kies de twee juiste beweringen. Welke uitspraken horen bij het fascisme?

a)

Eén sterke leider heeft alle macht. 

b)

Niet denken, maar doen!

c)

Het volk moet de macht hebben. 

d)

Ruzie? Eerst kijken of je er met praten uit  

kunt komen. 

7.

Kies de twee juiste beweringen. Welke uitspraken horen bij het communisme?

a)

Democratie

b)

Niet denken, maar doen!

c)

Het volk moet zijn rijkdom eerlijk delen (gelijkheid)

d)

De vrije markt bepaald de prijzen

8.

Kies de twee juiste beweringen. Welke uitspraken horen bij het fascisme?

a)

Vladimir Lenin en zijn partij

b)

Ruzie? Slaan! 

c)

Adolf Hitler en zijn nazi-partij 

d)

Je werkt altijd samen met bondgenoten

9.

Kies de twee juiste beweringen. Welke uitspraken horen bij het communisme?

a)

Vladimir Lenin en zijn partij

b)

Ruzie? Slaan! 

c)

Adolf Hitler en zijn nazi-partij 

d)

Je werkt altijd samen met bondgenoten

10.

Hoe noem je het als een regering goede politieke reclame maakt voor zichzelf en anderen als slecht / vijanden afschildert?

a)

reclame

b)

censuur

c)

dictatuur

d)

propaganda

11.

Kies de twee juiste antwoorden. Waar moet je op letten bij een propagandaposter om de boodschap te begrijpen en betrouwbaarheid te bepalen?

a)

de symbolen die zijn gebruikt

b)

de taal waarin tekst is toegevoegd

c)

de handtekening van de maker

d)

de kleuren die zijn gebruikt

12.

Wie was de leider van Duitsland tijdens de Eerste Wereldoorlog?

a)

Het CDU

b)

Adolf Hitler

c)

Keizer Wilhelm II

d)

Benito Mussolini

13.

Wat was de naam van Duitsland na de Eerste Wereldoorlog?

a)

Republiek van Berlijn

b)

Republiek van Versailles

c)

Keizerrijk Duitsland

d)

Republiek van Weimar

14.

Hoe heette het plan van de VS om Duitsland er na 1924 financieel weer bovenop te helpen?

a)

Marshallplan

b)

Dawesplan

c)

NAVO-plan

d)

VN-plan

15.

Hoeveel procent van de Duitsers werd na de economische crisis van 1929 uiteindelijk werkloos?

a)

5%

1 op 20 Duitsers

b)

10%

1 op 10 Duitsers

c)

20%

1 op 5 Duitsers

d)

33%

1 op 3 Duitsers

16.

Kies de twee juiste beweringen. Wat verklaart dat veel Duitsers op Adolf Hitler stemde in de jaren '30?

a)

Veel Duitsers waren werkloos

b)

Weinig Duitsers waren werkloos

c)

Er was weinig vertrouwen meer in de democratie

d)

Er was veel vertrouwen in de democratie

17.

Wat is voor communisten het allerbelangrijkste?

a)

Samenwerking

b)

Vrijheid

c)

Gelijkheid

d)

Broederschap

18.

Welke twee landen waren overgegaan op het fascisme vanaf de jaren '20 en '30?

a)

Duitsland

b)

Frankrijk

c)

Rusland

d)

Italië

19.

Wat ontstond er in 1929 in de Verenigde Staten?

a)

Een economische bloeiperiode

b)

Een economische (wereld)crisis

c)

Een revolutie

d)

Een staatsgreep

20.

Duitsland werd vanaf 1933 steeds meer een totalitair regime. Wat wordt daarmee bedoeld?

a)

Een land het volk zelf beslist wie de leiding heeft over het land

b)

Een land waarin de regering alle regels loslaat en iedereen vrijheid geeft

c)

Een land waarin de regering alle aspecten van het leven bepaald voor zijn burgers

d)

Een land waarin mensenrechten erg belangrijk worden gevonden