wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Middeleeuwen 1

Total questions: 32

Worksheet time: 17mins

Name
Class
Date
1.

Het eerste volk dat rond 500 rooms-katholiek werd waren de ...

a)

Franken

b)

Friezen

c)

Germanen

d)

Saksen

2.

Wie probeerde de Friezen tot het christelijk geloof te bekeren maar moest dat met de dood bekopen?

a)

Bonifatius

b)

Karel de Grote

c)

Karel Martel

d)

Willibrord

3.
Welk begrip hoort bij deze omschrijving?
Hoogste geestelijke in de christelijke kerk.
a)
Priester
b)
Profeet
c)
Paus
d)
Ridder
4.
Welk begrip hoort bij deze omschrijving?
Iemand die stukken land uitleende in ruil voor trouw en steun
a)
Leenheer
b)
Leenman
c)
Ridder
d)
Paus
5.
Waarom begon Karel de Grote het leenstelsel?
a)
Omdat hij een enorm gebied had om te besturen en hij dit alleen kon met een groot en betrouwbaar leger.
b)
Omdat hij een enorm gebied had om te besturen en hij dit niet alleen wilde doen
c)
Omdat hij zijn grond wilde onderverdelen onder zijn leenmannen omdat ze zulke goede leenmannen waren
d)
Omdat hij graag belasting wilde ontvangen en daarom zijn land uitleende.
6.

Het nut van het drieslagstelsel is ...

a)

Zorgen voor vruchtbaardere gronden.

b)

Zorgen dan land braak ligt

c)

Zorgen voor zomergraan

7.

Tot de eerste stand behoren

a)

De adel

b)

De boeren

c)

De geestelijkheid

8.

Wat was de functie van de adel?

a)

Bidden

b)

Strijden voor de veiligheid van iedereen

c)

Het land bewerken

9.

Een edelman die strijder op het paard is, wordt ... genoemd

a)

Monnik

b)

Ridder

c)

Adel

10.

Een monnik is belangrijk omdat:

a)

Hij kan lezen en schrijven en contact heeft met god

b)

Hij kan werken op het land en belasting betaald

c)

Hij zorgt voor de veiligheid van iedereen

11.

Een domein kon eigendom zijn van een klooster

a)

Juist

b)

Onjuist

12.

Wat bedoelen we met grond die braak ligt?

a)

Grond die niet bewerkt wordt

b)

Grond die net geploegd is

c)

Grond waar dieren op gebraakt hebben

d)

Grond die bewerkt is met graan

13.

Juist of Onjuist:


De Middeleeuwen waren gevaarlijk, omdat er na de val van het Romeinse Rijk allemaal kleine koninkrijken kwamen. De kleine koninkrijken vochten met elkaar om meer gebied en meer macht.

a)

JUIST

b)

ONJUIST

14.

De Tijd van Monniken & Ridders is de periode van de Vroege Middeleeuwen. Welke jaartallen horen hierbij?

a)

Jaar 0 - 500

b)

500 - 1000

c)

750 - 1250

d)

1000 - 1500

15.

Welk begrip hoort bij deze omschrijving:


Eigen gebied waarover een (land)heer de baas is.

a)

Domein

b)

Hofstelsel

c)

Koninkrijk

d)

Leenstelsel

16.

Welke beschrijving past het beste bij horige?

a)

Een onvrije ridder

b)

Een onvrije boer

c)

Een ridder die voor vrijheid koos

d)

Een boer die voor vrijheid koos

17.

Een horige heeft een aantal plichten aan de landheer. In ruil daarvoor krijgt de horige bescherming van de landheer.

Welk rijtje over de plichten van de horige is het meest compleet?

a)

Pacht betalen - werken op de landbouwgrond van de heer - herendiensten verrichten

b)

Herendiensten verrichten - pacht betalen - jagen

c)

Pacht betalen - jagen - op de landbouwgrond van de heer werken

d)

Op de landbouwgrond van de heer werken - herendiensten verrichten - jagen

18.

In welk rijtje staan de geestelijken van meest belangrijk naar minst belangrijk?

a)

Paus - Priester - Bisschop

b)

Bisschop - Paus - Monnik

c)

Paus - Bisschop - Priester

d)

Monnik - Paus - Bisschop

19.

Welk begrip wordt er op dit plaatje uitgelegd?

a)

Een vroonhof

b)

Autarkie

c)

Zelfvoorzienend

d)

Standenmaatschappij

20.

Welke stand is op de afbeelding te zien ?

a)

geestelijkheid

b)

edelen

c)

boeren

21.

Uit welke standen bestond de maatschappij in de middeleeuwen?

a)

Rijke mensen, arme mensen en horigen

b)

Geestelijkheid, adel, boeren

c)

heksen, tovenaars en kruidenvrouwen.

d)

monniken, ridders en rijke mannen

22.

Welke stand is op de afbeelding te zien?

a)

geestelijkheid

b)

adel

c)

boeren

23.

Welke stand is op de afbeelding te zien?

a)

geestelijkheid

b)

adel

c)

boeren

24.

Welk geloof hadden de mensen in de middeleeuwen in West-Europa?

a)

Protestant (Christendom)

b)

Islam

c)

Jodendom

d)

Katholiek (christendom)

25.

Wat past bij deze bron?

a)

Drieslagstelsel

b)

Standenmaatschappij

c)

Domein

d)

Hofstelsel

26.

Waar ontstonden vooral steden? Er zijn meerdere antwoorden mogelijk

a)

Bij een kruispunt

b)

In de bergen

c)

Bij een rivier

d)

Bij een bos

e)

Bij een burcht (kasteel)

27.

Begrip: Het voor landbouw bruikbaar maken van bossen en moerassen

a)

schepenen

b)

staat

c)

ontginnen

d)

gezel

28.

Wat is een reden van de steeds meer stijgende opbrengst van de landbouw.

a)

Ze kregen een tractor

b)

Meer mensen gingen in de landbouw werken

c)

Het klimaat koelde af.

d)

Betere landbouwtechnieken

29.

Wat doet / deed een keerploeg?

a)

Het zaaide de zaadjes voor de boeren.

b)

Het ploegde de grond om, waardoor het zaaien makkelijker was.

c)

Het zorgde ervoor dat de dieren makkelijk gevoerd konden worden.

30.

een herendienst was

a)

een kerkdienst

b)

een groep mannen

c)

niet bedoeld voor vrouwen

d)

een klus die een horige moet doen voor de heer

31.

een leen was

a)

een stuk grond dat de koning te leen gaf

b)

een huis dat de koning te leen gaf

c)

een koe die de koning te leen gaf

d)

een ridder die geen vaste woonplaats had

32.

Van welke vorst die rond 800 een groot deel van Europa wist te onderwerpen is deze handtekening?

a)

Max de Grote

b)

Alexander de Grote

c)

Hugo de Grote

d)

Karel de Grote