wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

BUZZ - examen Pasen

Total questions: 45

Worksheet time: 24mins

Name
Class
Date
1.

Een handelaar is iemand die goederen aankoopt om die goederen met verlies verder te verkopen.

a)

Juist

b)

Fout

2.

Een groothandelaar koopt goederen aan bij de producent of groothandel en

a)

verkoopt deze goederen in kleine hoeveelheden

b)

verkoopt deze goederen in grote hoeveelheden

3.

Een kleinhandelaar koopt goederen aan bij:

a)

Beide

b)

De producent

c)

Een groothandel

4.

Een (a)   = iets wat verkocht wordt dat niet tastbaar is.

5.

Een (a)   is iets wat verkocht wordt dat tastbaar is.

6.

Retail is de verkoop van:

a)

Goederen

b)

Diensten

c)

Beide zijn juist

7.

Een consument en een klant zijn synoniemen van elkaar.

a)

Juist

b)

Fout

8.

Social media is een voorbeeld van offline verkoopkanalen.

a)

Juist

b)

Fout

9.

Een automaat is een offline verkoopkanaal.

a)

Juist

b)

Fout

10.

Wat is een voorbeeld van online verkoopkanalen:

a)

Eigen app

b)

Website

c)

Online marktplaats

d)

Alle antwoorden zijn juist

11.

Als België producten verkoopt aan het buitenland, spreken we van:

a)

Exporteren

b)

Importeren

12.

Als België producten aankoopt van het buitenland, spreken we van:

a)

Exporteren

b)

Importeren

13.

De vraag naar een product is de hoeveelheid van dat product die een koper bereid is te kopen tegen één prijs

a)

Juist

b)

Fout

14.

De vraag naar een product is de hoeveelheid van dat product die een koper bereid is te kopen tegen....

a)

één prijs

b)

één product

c)

verschillende andere producten

d)

verschillende prijzen

15.

De vraag wordt grafisch voorgesteld door de (a)  

16.

De vraagcurve kent een dalend verloop, want tegen hoge prijzen zal er ............ gevraagd worden

a)

meer

b)

hetzelfde

c)

weinig

17.

Het aanbod van een product is de hoeveelheid van dat product die een koper bereid is aan te bieden tegen verschillende prijzen

a)

Juist

b)

Fout

18.

De aanbodcurve kent een ............ verloop

a)

dalend

b)

stijgend

19.

De aanbodcurve kent een stijgend verloop, want tegen hoge prijzen zal er ............ aangeboden worden

a)

meer

b)

hetzelfde

c)

weinig

20.

Het geheel van vraag naar en aanbod van een product noem je.........

a)

het marktevenwicht

b)

de evenwichtsprijs

c)

de evenwichtshoeveelheid

d)

de markt

21.

Het punt waar de vraagcurve en de aanbodcurve elkaar snijden, noem je ...........

a)

het marktevenwicht

b)

de evenwichtsprijs

c)

de evenwichtshoeveelheid

d)

de markt

22.

De evenwichtsprijs lees je af op de x-as

a)

Juist

b)

Fout

23.

Als het inkomen van klanten stijgt dan....

a)

Zal de vraag naar dat product stijgen

b)

Zal de vraag naar dat product dalen

c)

Zal het aanbod van dat product stijgen

d)

Zal het aanbod van dat product dalen

24.

Als het bevolkingsaantal daalt dan....

a)

Zal de vraag naar dat product stijgen

b)

Zal de vraag naar dat product dalen

c)

Zal het aanbod van dat product stijgen

d)

Zal het aanbod van dat product dalen

25.

Als het aantal producenten daalt dan....

a)

Zal de vraag naar dat product stijgen

b)

Zal de vraag naar dat product dalen

c)

Zal het aanbod van dat product stijgen

d)

Zal het aanbod van dat product dalen

26.

Als de vraag naar een product daalt zal...

a)

de vraagcurve naar rechts verschuiven

b)

de vraagcurve naar links verschuiven

c)

de aanbodcurve naar rechts verschuiven

d)

de aanbodcurve naar links verschuiven

27.

Als het aanbod van een product daalt zal...

a)

de vraagcurve naar rechts verschuiven

b)

de vraagcurve naar links verschuiven

c)

de aanbodcurve naar rechts verschuiven

d)

de aanbodcurve naar links verschuiven

28.

De ecologische en sociale gevolgen van e-commerce beïnvloeden.....

a)

Het welzijn

b)

De welvaart

c)

Beide antwoorden zijn juist

29.

De economische gevolgen van e-commerce beïnvloeden.....

a)

Het welzijn

b)

De welvaart

c)

Beide antwoorden zijn juist

30.

Door de toename van e-commerce gebeuren er jaarlijks meer verkeersongevallen. Dit is een sociaal gevolg.

a)

Juist

b)

Fout

31.

Door de toename van e-commerce zijn er meer files. Dit is een ecologisch gevolg.

a)

Juist

b)

Fout

32.

Door de toename van e-commerce is er meer omzet voor de bedrijven. Dit is een economisch gevolg.

a)

Juist

b)

Fout

33.

Welke gegevens geef je allemaal prijs wanneer je surft?

a)

Algemene gegevens

b)

Verborgen gegevens

c)

Beide antwoorden zijn juist

34.

IoT is de afkorting van:

a)

Internet of Toys

b)

Internet of Things

c)

Beide antwoorden zijn juist

35.

Wanneer ik een klantenkaart aanmaak geef ik mijn gegevens bewust door.

a)

Juist

b)

Fout

36.

Wanneer ik de Wi-Fi van een stad gebruik geef ik mijn locatiegegevens bewust door.

a)

Juist

b)

Fout

37.

De overheid gaat niet alleen aan de slag met mijn persoonsgegevens maar ook met mijn koopgedrag.

a)

Juist

b)

Fout

38.

Ondernemingen vinden mijn gegevens interessant om gepersonaliseerde reclame te maken. Op die manier maken ze ook meer winst.

a)

Juist

b)

Fout

39.

Ik kan mezelf beschermen tegen gepersonaliseerde reclame door bijvoorbeeld een adblocker te installeren.

a)

Juist

b)

Fout

40.

Ik kan mijzelf beschermen tegen big data door:

a)

een wachtwoordkluis

b)

2FA

c)

het lezen van privacy- en veiligheidsvoorwaarden

d)

Alle antwoorden zijn correct

41.

Big data = bedrijven en organisaties verzamelen een enorme hoeveelheid gegevens in databanken.

a)

Juist

b)

Fout

42.

Met big data willen de ondernemingen alleen maar gepersonaliseerde reclame maken.

a)

Juist

b)

Fout

43.

Bedside scanning zorgt voor een vermindering van medicatiefouten. Dit is een positieve reden.

a)

Juist

b)

Fout

44.

De locatiebepaling wekt heel wat vragen rond privacy op. Dit is een positief gevolg.

a)

Juist

b)

Fout

45.

Door big data bestaat de kans er dat artificiële intelligentie (AI) de handelingen en denkwijze van een werknemer volledig overneemt.

a)

Juist

b)

Fout